ECLI:NL:RBDHA:2025:14784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.6596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 31, zesde lid, onder d, Vw 2000Paragraaf C1/4.3.2.4 Vreemdelingencirculaire 2000Paragraaf C7/34 Vreemdelingencirculaire 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid HDP-lidmaatschap en activiteiten

Eiser heeft op 22 september 2022 een asielaanvraag ingediend en beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen en het bestreden besluit van de minister van Asiel en Migratie tot afwijzing van zijn aanvraag. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, maar veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.

De kern van het geschil betreft het lidmaatschap van eiser van de HDP en de activiteiten die hij daarvoor zou hebben verricht. Hoewel het lidmaatschap geloofwaardig wordt geacht, acht de minister de onderbouwing van de problemen die eiser daardoor zou hebben ondervonden onvoldoende en ongeloofwaardig. De rechtbank volgt dit oordeel en wijst erop dat eiser wisselende verklaringen heeft gegeven over de data van zijn betrokkenheid en de invallen bij hem thuis.

Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend, noch dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het lidmaatschap van de HDP op zichzelf geen gegronde vrees oplevert, mede omdat er geen bewijs is dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn lidmaatschap. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag blijft afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6596 (rectificatie)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete), en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat de minister de gestelde problemen van eiser in Turkije vanwege zijn HDP-lidmaatschap en de activiteiten die hij bij en voor de HDP heeft verricht ongeloofwaardig acht. Eiser is het hier niet mee eens en voert aan dat hij wel geloofwaardig heeft verklaard over de ondervonden problemen door zijn lidmaatschap en de verrichte activiteiten. Eiser stelt daarnaast dat hij bij terugkeer naar Turkije wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het besluit om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft op 22 september 2022 een asielaanvraag ingediend. Op 11 februari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 april 2025 alsnog een besluit genomen en de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft op 16 april 2025 gronden van beroep tegen het bestreden besluit ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
3. De rechtbank stelt vast dat de minister met het bestreden besluit alsnog een besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen. Eiser heeft geen procesbelang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is, voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig beslissen, daarom niet-ontvankelijk.
3.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op het bezwaar is genomen, zal de rechtbank de minister veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.
Het beroep tegen het bestreden besluit
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege ook betrekking op het alsnog genomen besluit.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat hij de Turkse nationaliteit heeft en dat hij tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort. Eiser is als lid van de HDP in de negatieve belangstelling komen te staan van de autoriteiten vanwege zijn partijactiviteiten. Vanwege de activiteiten die hij heeft verricht zijn er meerdere invallen geweest bij hem thuis en op zijn werkplek.
5.1.
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • lidmaatschap van de HDP en de hierdoor ondervonden problemen.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Het lidmaatschap van de HDP en de hierdoor ondervonden problemen acht de minister deels geloofwaardig. Eiser wordt gevolgd in zijn verklaring dat hij op 9 mei 2016 lid is geworden van de HDP. De activiteiten die eiser zou hebben verricht voor de HDP en de problemen die hij zou hebben ondervonden naar aanleiding van deze activiteiten en zijn lidmaatschap worden niet gevolgd. Daarbij is voor de minister van belang dat eiser de gestelde problemen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. De verklaringen van eiser vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft wisselend verklaard over wanneer hij interesse kreeg in de HDP, wanneer hij activiteiten verrichtte voor de HDP en over wanneer de invallen plaatsvonden. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring. Het asielmotief dat wel geloofwaardig is bevonden, levert volgens de minister bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade op.
Had de minister van de juistheid/echtheid van het document moeten uitgaan?
6. Eiser voert aan dat hij met een origineel document heeft aangetoond dat hij sinds 9 mei 2016 lid is van de HDP in Turkije. Daarnaast heeft eiser een origineel document/getuigschrift aangeleverd waarin de HDP de deelname van eiser aan de activiteiten, evenementen, demonstraties, soortgelijke activiteiten en het verlenen van
financiële steun aan de partij schriftelijk heeft bevestigd.1 Eiser betoogt dat hij hierdoor met objectieve documenten zijn gestelde problemen heeft onderbouwd. Deze originele documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten en daarbij zijn geen onregelmatigheden aangetroffen. Het feit dat Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de echtheid van het document en of het document inhoudelijk juist is, omdat voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal ontbreekt, kan en mag eiser niet worden tegengeworpen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser met de documenten niet zijn gehele asielmotief heeft weten te onderbouwen. De minister heeft het HDP-lidmaatschap van eiser geloofwaardig geacht. Het door eiser ingebrachte document c.q. getuigschrift, waarin de HDP de deelname van eiser aan activiteiten heeft bevestigd, heeft van Bureau Documenten een neutraal advies gekregen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij daarom niet met zekerheid kan stellen dat het getuigschrift een echt of vervalst document is. De rechtbank overweegt dat de minister daaraan het gevolg heeft mogen verbinden dat eiser op basis van dit document c.q. getuigschrift niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser problemen heeft ondervonden door zijn lidmaatschap en de gestelde activiteiten, en dat eiser hierdoor problemen heeft (gehad) met de Turkse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend?
7. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Hij is in Nederland door een smokkelaar achtergelaten, zonder dat het hem bekend was dat hij zijn asielaanvraag in Ter Apel moest indienen. Hij is naar de hoofdstad gegaan en heeft in Amsterdam direct contact gezocht met de politie, die hem heeft doorgestuurd naar Ter Apel.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser is op 17 september 2022 Nederland binnengekomen en heeft zich op 22 september 2022 in Ter Apel gemeld. Een asielaanvraag is zo spoedig mogelijk ingediend als deze binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend.2 Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd en de vreemdeling daar een goede reden voor geeft, wordt alsnog voldaan aan deze voorwaarde. De minister mocht de reden die eiser opgeeft onvoldoende vinden. Ook indien eiser eerst vanaf een andere locatie in Nederland naar Amsterdam is gereisd en daarna is doorgereisd naar Ter Apel, moet het normaal gesproken mogelijk zijn om die route binnen 48 uur te volbrengen. Eiser heeft geen goede reden genoemd waardoor hij er vijf dagen over heeft gedaan om zich in Ter Apel te melden.
Acht de minister de problemen van eiser door het lidmaatschap en de verrichte activiteiten ten onrechte ongeloofwaardig?
8. Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen over de problemen door het HDP- lidmaatschap ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser voert aan dat hij niet wisselend heeft verklaard over het moment dat hij interesse kreeg in de HDP. De minister heeft volgens eiser de verschillende termen zoals interesse, sympathie en steunen op een oneigenlijke en niet consequente manier gebruikt in de vraagstellingen. Door dit verschil in betekenis en waardering, kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij verschillende tijdstippen heeft genoemd die in zijn beleving passen bij de verschillende termen. De
1. Brief van 7 oktober 2024 met bijlagen van de gemachtigde van eiser.
2 Zie artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 en paragraaf C1/4.3.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
minister heeft zich daardoor ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt wanneer hij is begonnen met activiteiten voor de HDP. Eiser stelt dat hij van kinds af aan, sinds 2008, actief was en aan activiteiten en demonstraties deelnam. Vanaf 2014 vonden volgens eiser de officieel geregistreerde activiteiten plaats. Eiser stelt dat uit zijn antwoorden blijkt dat hij uitdrukkelijk aangeeft dat zijn sympathie voor de HDP is ontstaan in zijn vroege jeugd.3 De minister stelt zich volgens eiser ook ten onrechte op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de invallen. Eiser heeft, los van de wellicht ongelukkige nummering, duidelijk aangegeven dat vóór 2016 ook al een inval is geweest.4
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij interesse kreeg in de HDP. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het noemen van verschillende data te wijten is aan de door de minister verschillend gehanteerde terminologieën. Eiser heeft drie verschillende data genoemd waarop hij interesse of sympathie kreeg voor de HDP. Eiser heeft zelf verklaard dat hij in 2015/2016 sympathisant werd van de HDP.5 Vervolgens verklaart eiser dat hij sinds 2000 sympathie heeft voor de HDP.6 Daarna verklaart eiser echter dat hij in 2008 voor het eerst interesse kreeg.7 De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het gegeven dat op pagina 9 van het nader gehoor de term ‘interesse’ is gebruikt in de vraagstelling en op pagina 11 van het nader gehoor en pagina 4 van het aanvullend nader gehoor de term ‘sympathie’, er niet aan afdoet dat eiser drie verschillende jaartallen noemt waarop hij interesse/sympathie kreeg. De minister heeft deze verklaringen van eiser terecht als wisselend aangemerkt. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij voor het eerst activiteiten voor de HDP heeft verricht. Eiser verklaart eerst dat hij in 2010/2011, op zijn twintigste, bij de partij is begonnen, naar bijeenkomsten ging en op andere manieren steun leverde.8 Vervolgens verklaart eiser dat hij op 18-jarige leeftijd, in de periode 2008/2009 interesse kreeg en vrijwilliger werd.9 In het aanvullend nader gehoor verklaart eiser echter dat hij vanaf zijn zeventiende naar bijeenkomsten van de HDP ging.10 Aan eiser is toen gevraagd vanaf welke leeftijd of in welk jaar hij activiteiten heeft verricht voor de HDP. Volgens eiser was dit twee jaar voor zijn lidmaatschap in 2016.11 Eiser heeft vervolgens verklaard in 2008 voor het eerst campagne te hebben gevoerd met de auto.12 Daarna verklaart eiser dat dit in 2016 het geval was.13 De minister heeft eiser ermee geconfronteerd dat hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard voor het eerst in 2008 campagne te hebben gevoerd met de auto en dat dit later in 2016 was.14 Eiser verklaarde toen dat hij dit ook in 2008 deed, maar dat dit toen nog niet op officiële basis was.15De minister heeft zich terecht
3 Nader gehoor, pagina 11, 6de alinea.
4 Nader gehoor, pagina 12, 1ste alinea.
5 Nader gehoor, pagina 4.
6 Nader gehoor, pagina 11 en aanvullend nader gehoor, pagina 4.
7 Nader gehoor, pagina 9.
8 Nader gehoor, pagina 7.
9 Nader gehoor, pagina 9.
10 Aanvullend nader gehoor, pagina 4.
11 Aanvullend nader gehoor, pagina 4.
12 Nader gehoor, pagina 7.
13 Nader gehoor, pagina 11.
14 Aanvullend nader gehoor, pagina 4.
15 Aanvullend nader gehoor, pagina 4.
op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser wisselend zijn en daardoor ongeloofwaardig.
8.1.1.
De rechtbank overweegt verder dat de minister de verklaringen van eiser over de gestelde invallen terecht wisselend heeft geacht. Eiser heeft wisselend verklaard over wanneer de eerste inval geweest is in 2008/2009 of pas in 2016.16De minister mag van eiser verwachten dat hij consistent kan verklaren en ook data bij benadering kan benoemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser bij terugkeer te vrezen voor vervolging?
9. Eiser voert aan dat hij als Koerd en HDP-lid bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser betoogt dat uit zijn verklaringen kan worden afgeleid dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser vindt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet een bijzondere rol of speciale verantwoordelijkheid had binnen de HDP, en dat hij daardoor niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse overheid. Eiser is ook van oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte voorbij is gegaan aan de objectieve informatie die beschikbaar is over de valse beschuldigingen, mishandelingen, martelingen, intimidatie, discriminatie, politieke vervolging en arrestaties van Koerden en HDP-leden. Eiser heeft hiermee als Koerd en HDP-lid te maken gehad. HDP-aanhangers staan volgens eiser daarom wel degelijk in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. In dit verband verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Het huidige asielbeleid ten aanzien van Turkije is neergelegd in paragraaf C7/34 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Het enkele gegeven dat eiser lid is van de HDP maakt niet dat hij alleen daarom al een gegronde vrees heeft voor vervolging of een (reëel) risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten daadwerkelijk op de hoogte zijn van zijn lidmaatschap van de HDP, nu dit niet is geregistreerd in E-devlet.17Eiser heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten van zijn HDP- lidmaatschap afweten. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van indicaties die erop wijzen dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft zich op basis van wat eiser zelf heeft verklaard ook terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer risico loopt op schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Eiser had geen uitreisverbod en heeft Turkije legaal kunnen uitreizen.18 De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hieruit niet blijkt dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij de Turkse autoriteiten. De minister wijst er ook terecht op dat hetgeen in het ambtsbericht van februari 2025 staat niet betekent dat dit ook op eiser van toepassing is. De minister volgt eiser dan ook terecht niet in zijn betoog dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of komt te staan vanwege zijn HDP-lidmaatschap. De beroepsgrond slaagt niet.
16 Aanvullend nader gehoor, pagina 6.
17 E-devlet is een elektronisch systeem dat door de Turkse overheid is opgericht. Het fungeert als een digitale toegangspoort voor overheidsdiensten.
18 Aanmeldgehoor, pagina 8.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dit zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 453,50.19 Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
19 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van L.H. Scholten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
11. ​