ECLI:NL:RBDHA:2025:14811

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/687851 / FT RK 25/595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens voldane hoofdvordering

Verzoeker diende een verzoekschrift in tot faillietverklaring van verweerder wegens een opeisbare vordering van €6.559,60 plus bijkomende kosten en stelde dat verweerder meerdere schulden onbetaald liet. Tijdens de zitting verklaarde verzoeker dat de hoofdvordering inmiddels volledig was voldaan, maar handhaafde het verzoek tot faillietverklaring met het argument dat ook andere schuldeisers belanghebbenden zijn.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was de insolventieprocedure te behandelen aangezien het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt. Voor faillietverklaring is vereist dat de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft en niet meer betaalt, en dat dit summierlijk blijkt.

Omdat de hoofdvordering was voldaan, ontbrak het vorderingsrecht van verzoeker. De overige schuldeisers werden niet als mede-verzoekers aangemerkt, waardoor hun vorderingen slechts als steunvorderingen konden gelden, wat onvoldoende is voor faillietverklaring.

De rechtbank wees het verzoek daarom af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen omdat de hoofdvordering is voldaan en steunvorderingen onvoldoende zijn.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/687851 / FT RK 25/595
beschikking van 7 augustus 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
verzoeker,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden,
tegen
[verweerder] ,
verweerder,
advocaat: mr. G. Janssen.
Waar deze zaak over gaat
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerder. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerder.
1.2.
Het verzoekschrift is op 5 augustus 2025 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- mr. H.M.A. over de Linden, namens verzoeker, en
- verweerder met zijn advocaat.
1.3.
De uitspraak is bij vervroeging bepaald op vandaag.

2.Standpunten van partijen

Het standpunt van verzoeker

2.1.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat hij een opeisbare vordering heeft op verweerder van € 6.559,60, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en contractuele rente. Verzoeker heeft verder gesteld dat verweerder meer schulden onbetaald laat, waaronder aan [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (hierna: de overige schuldeisers). Verzoeker en de overige schuldeisers zijn de dupe geworden van de handelswijze van verweerder, waarin verweerder zich voordoet als verhuurmakelaar. Potentiële huurders (met name Oekraïense vluchtelingen) moeten verweerder op voorhand één á twee maanden huur betalen, terwijl verweerder in de meeste gevallen niet in de positie verkeert om woningen te verhuren.
2.2.
Op de zitting heeft verzoeker, bij monde van zijn advocaat, verklaard dat zijn volledige vordering inmiddels door verweerder is voldaan. Desondanks wordt het verzoek tot faillietverklaring van verweerder gehandhaafd. Het verzoekschrift bevat een vormfout, aldus de advocaat van verzoeker, nu de namen van de overige schuldeisers niet in de kop van het verzoek zijn vermeld, terwijl voor iedereen kenbaar is dat zij eveneens belanghebbenden zijn en het verzoek daarom mede namens hen is ingediend. De vorderingen van de overige schuldeisers dienen dan ook niet als steunvorderingen, maar als hoofdvorderingen te worden aangemerkt.
Het standpunt van verweerder
2.3.
Verweerder verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen, omdat hij de hoofdvordering inmiddels volledig heeft voldaan. Daarnaast heeft verweerder op de zitting verklaard mee te willen werken aan een oplossing voor de overige schuldeisers.

3.De beoordeling

Bevoegdheid

3.1.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Het beoordelingskader
3.2.
Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar meerdere schuldeisers heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander dient summierlijk te blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
Vorderingsrecht van verzoeker
3.3.
Ten aanzien van de gestelde vordering van verzoeker stelt de rechtbank vast dat de volledige vordering inmiddels door verweerder is voldaan, zoals namens verzoeker op de zitting is erkend. Nu verzoeker geen opeisbare vordering (meer) heeft op verweerder, is niet gebleken van het vorderingsrecht van verzoeker. Het verzoek tot faillietverklaring dient daarom te worden afgewezen.
3.4.
Ten aanzien van de vorderingen van de overige schuldeisers kan de rechtbank het verzoekschrift niet aldus uitleggen dat zij eveneens als verzoekers kunnen worden aangemerkt. Het verzoekschrift is opgesteld in termen van één verzoeker en de vorderingen van de overige schuldeisers worden pas onder punt 14 van het verzoek genoemd, zonder dat daaruit blijkt dat zij het verzoek mede indienen. Dit betekent dat de vorderingen van de overige schuldeisers enkel als steunvorderingen bij het verzoek kunnen worden aangemerkt, hetgeen onvoldoende is voor het uitspreken van een faillissement.
3.5.
De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot faillietverklaring van verweerder af.
Dit is een beslissing van mr. A.C.M. Höppener, rechter, in samenwerking met M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.