ECLI:NL:RBDHA:2025:14850
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na ongegrondverklaring verblijfsvergunning
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van een asielaanvraag. De verzoeker, van Somalische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 1 oktober 2024 was afgewezen. De verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening. De zitting vond plaats op 10 juli 2025, waarbij de verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De voorzieningenrechter heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in een andere zaak (NL24.41259), waarin het beroep van de verzoeker ongegrond werd verklaard en het bestreden besluit in stand werd gelaten. Aangezien het beroep ongegrond was, was er geen noodzaak meer voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening dan ook afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd, en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De uitspraak is openbaar gemaakt en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.