Eiseres reisde in de periode september tot en met oktober 2024 met het studentenreisproduct, terwijl zij in die periode niet stond ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Dit leidde tot een ov-boete van €268,94 opgelegd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Eiseres voerde aan dat zij onterecht was uitgeschreven vanwege een betalingsfout en dat zij pas op 7 oktober 2024 hiervan op de hoogte was. Zij stelde dat zij haar studie gewoon volgde en haar studentenreisproduct direct stopzette toen zij de uitschrijving ontdekte. Ook had zij een voorlopige voorziening aangevraagd om haar lessen te kunnen blijven volgen.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct aan eiseres zelf kan worden toegerekend. De uitschrijving per 31 augustus 2024 was correct doorgegeven door de Hogeschool Utrecht, en het recht op het studentenreisproduct verviel per 1 september 2024. De miscommunicatie met haar ouders en de voorlopige voorziening konden de boete niet ongedaan maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de ov-boete. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. de Wit op 14 juli 2025.