Opdrachtgever gaf aannemer opdracht om een vochtprobleem in zijn werfkelder te verhelpen door injectiewerkzaamheden tot een hoogte van 1,5 meter uit te voeren. Na afronding bleken vochtproblemen terug te keren, ook binnen de behandelde delen. Een deskundige concludeerde dat het werk gebrekkig was en dat aannemer zijn waarschuwingsplicht had geschonden door niet te adviseren de gehele kelder te behandelen.
De rechtbank stelde vast dat aannemer tekort was geschoten door niet kosteloos herstel te verrichten op de plekken waar vocht terugkwam binnen de overeengekomen hoogte. Aannemer was daardoor in verzuim en opdrachtgever mocht de overeenkomst ontbinden. De rechtbank wees het standpunt van aannemer af dat de vochtproblemen veroorzaakt werden door verkeerd stucwerk van opdrachtgever, omdat aannemer dit onvoldoende had onderbouwd.
De ontbinding leidde tot een verbintenis tot ongedaanmaking, waarbij aannemer de aanneemsom van € 9.250,00 moest terugbetalen. De rechtbank stelde de waardevergoeding voor het werk op nihil, omdat het werk geen waarde had voor opdrachtgever. Vorderingen tot aanvullende schadevergoeding wegens herstelkosten en gederfde huurinkomsten werden afgewezen, mede omdat opdrachtgever sinds maart 2025 geen eigenaar meer was van de kelder en onvoldoende schade had onderbouwd.
De rechtbank kende wel vergoeding toe voor redelijke expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering van aannemer tot vergoeding van zijn eigen expertisekosten werd afgewezen. De proceskosten werden in conventie gecompenseerd en in reconventie aan opdrachtgever toegewezen.