De rechtbank Den Haag heeft op 6 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank besloot het beroep zonder zitting te behandelen en stelde vast dat het beroep niet-ontvankelijk is.
De kern van het geschil betrof de beslistermijn van de minister van Asiel en Migratie. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden beslist. Deze termijn kan met maximaal negen maanden worden verlengd bij een grote instroom van vreemdelingen, zoals geregeld in artikel 42, vierde lid, onder b. De minister had de beslistermijn verlengd met negen maanden vanwege een grote instroom.
Eiser werd op 12 september 2023 opgenomen in de nationale procedure, waardoor de oorspronkelijke beslistermijn op 12 maart 2024 zou eindigen. De verlenging maakte deze termijn rechtsgeldig langer. De ingebrekestelling van eiser op 13 november 2024 was daardoor prematuur. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb en verklaarde het niet-ontvankelijk.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.