In deze zaak staat een geschil centraal over auteursrechtinbreuk op het ontwerp van een vaas, de zogenaamde [vaas 1], waarvan het auteursrecht toekomt aan [partij 1]. [partij 4] biedt een vergelijkbare vaas ([vaas 2]) aan, waarvan wordt gesteld dat deze inbreuk maakt op het auteursrecht van [partij 1]. In 2021 heeft [partij 4] een onthoudingsverklaring getekend waarin zij erkent inbreuk te maken en zich verbindt dit te staken onder boetebeding.
Ondanks deze verklaring heeft [partij 4] in 2023 en 2024 opnieuw de betwiste vazen aangeboden. [partij 1, 2 en 3] c.s. vorderen onder meer een verklaring voor recht, inbreukverbod, schadevergoeding, boetes en dwangsommen. [partij 4] vordert in een incident dat de hoofdzaak wordt verwezen naar de kantonrechter omdat de vordering volgens haar geen hogere waarde dan € 25.000 vertegenwoordigt.
De rechtbank overweegt dat de vorderingen van onbepaalde waarde zijn, maar dat het geschil gaat over de waarde van de winstafdracht en boetes. [partij 4] stelt een maximale waarde van circa € 10.536,68, terwijl [partij 1, 2 en 3] c.s. dit gemotiveerd betwisten op grond van eerdere verkopen en correspondentie. De rechtbank ziet geen duidelijke aanwijzingen dat de vordering onder de € 25.000 blijft en wijst het incident af. De kosten van het incident worden aan [partij 4] opgelegd. De hoofdzaak blijft aangehouden voor verdere beslissing.