Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker 2], V-nummer: [V-nummer] , verzoekers (gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het bericht van de minister van Asiel en Migratie van 28 juli 2025, waarin is meegedeeld dat de asielaanvragen van verzoekers verder worden behandeld in de verlengde asielprocedure. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze doorzending en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het bericht van de minister een procesbeslissing is in de zin van artikel 6:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die geen zelfstandig rechtsgevolg heeft en daarom niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. Dit betekent dat het bericht geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en evenmin een handeling ex artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van deze overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de doorzending van de asielaanvraag naar de verlengde procedure is afgewezen.