ECLI:NL:RBDHA:2025:14981
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij terugvordering WIA-uitkering
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om een WIA-uitkering over de periode 2015 tot en met juni 2025 te herzien en terug te vorderen wegens het ontbreken van een controleerbare financiële administratie. De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Verzoeker stelt dat hij door de terugvordering zijn maandelijkse vaste lasten niet kan betalen en dat zijn financiële situatie door extra zorglasten verder onder druk staat. Hij heeft dit onderbouwd met bewijsstukken zoals bankafschriften en huurbetalingen. Verweerder betwist het spoedeisend belang en wijst op de mogelijkheid tot betalingsregeling en het inkomen van de partner en inwonende dochter.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen acute, onomkeerbare financiële noodsituatie bestaat. Verzoeker hoeft het bedrag nog niet direct terug te betalen en kan een betalingsregeling treffen. Ook houdt de rechter rekening met het inkomen van de overige huishoudleden. De toekomstige onzekerheden zijn onvoldoende concreet om spoedeisend belang aan te nemen.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.