Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 11 maart 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 16 september 2024 schriftelijk in gebreke en diende op 2 oktober 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
Tussen 14 december 2024 en 13 juni 2025 gold een besluitmoratorium voor Syrië, waardoor de minister niet op asielaanvragen van Syriërs besliste en de beslistermijn werd verlengd tot maximaal 21 maanden. De rechtbank oordeelt dat het moratorium van toepassing is op de aanvraag van eiser, waardoor de beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van uitspraak.
Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Omdat eiser het beroep tijdig instelde voordat het moratorium van kracht was, is het beroep ontvankelijk. De rechtbank wijst een proceskostenvergoeding toe van €453,50 wegens inschakeling van juridische hulp, maar wijst een bestuurlijke dwangsom af omdat de minister niet te laat heeft beslist.