ECLI:NL:RBDHA:2025:14986

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
12 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.30278
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000ECLI:EU:C:2022:858
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling afgewezen wegens onttrekkingsrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, onder meer omdat hij eerder in de asielopvang verbleef en niet strafrechtelijk in beeld was.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was, vanwege het onttrekkingsrisico dat voortvloeit uit de niet bestreden gronden. De omstandigheden van de eiser, waaronder zijn eerdere verblijf in asielopvang en het ontbreken van strafrechtelijke registratie, waren onvoldoende om een lichter middel te rechtvaardigen. Ook tijdens het gehoor bracht de eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren.

Daarnaast voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, waarin de rechtmatigheid van de maatregel werd bevestigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30278

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Woning. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Lichter middel
1. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij eerder in de asielopvang heeft verbleven en hij niet strafrechtelijk bij verweerder in beeld is gekomen. Daarnaast wil eiser zijn asielprocedure in vrijheid afwachten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling van eiser dat hij zijn asielprocedure in Nederland wil afwachten, hij eerder in de asielopvang heeft verbleven en niet strafrechtrechtelijk aan verweerder is overgedragen, is in het licht van het voormelde onttrekkingsrisico onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De rechtbank betrekt hier ook bij dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt dan ook niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.