De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Den Haag om drie minderjarige kinderen voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De kinderen verbleven in een ernstig verwaarloosde en onveilige thuissituatie bij de vader, die de dagelijkse verzorging aan een zestienjarig meisje had overgelaten. De moeder is sinds januari 2025 uit beeld, waardoor onduidelijk is of zij een rol kan spelen in de opvoeding.
De kinderrechter hield op 31 juli 2025 een zitting met gesloten deuren, waarbij de vader met advocaat en tolk aanwezig was, maar de moeder niet. De kinderen verblijven momenteel in pleeggezinnen, waarbij de grootouders van vaderszijde negatief zijn gescreend als pleeggezin. De vader verzet zich tegen de uithuisplaatsing en verzoekt om terugplaatsing van de kinderen of verblijf bij de grootouders.
De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd en dat de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om deze bedreiging weg te nemen. De uithuisplaatsing is eveneens noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct, ook bij hoger beroep. De beschikking is op 31 juli 2025 gegeven en op 12 augustus 2025 schriftelijk vastgelegd.