Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsbeslissing
24 januari 2025;
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
16 januari 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van financiën en het sociale netwerk van de verdachte. Zo heeft hij zich (naar eigen zeggen) laten overhalen door de mededader van onderhavig delict om hem te helpen en lijkt daar mogelijk een financieel motief achter te zitten. De reclassering kan dat echter niet met zekerheid zeggen omdat de verdachte hier naar de reclassering niet open over is. Verder staat de verdachte niet ingeschreven bij de BRP en werkt hij al twee jaar zwart, hetgeen ook zorgelijk is. De reclassering acht een recidiverisico aanwezig, maar onthoudt zich van een uitspraak over de hoogte van dat recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met de mededader, coaching/begeleiding dan wel ambulante behandeling indien nodig, het zoeken van dagbesteding en inzicht geven in de financiën. De verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard om zich aan alle op te leggen voorwaarden te zullen houden.
7.De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
€ 15.000,- aan immateriële schade.
€ 76,97 + € 76,97 + € 76,97). Voor zover sprake is van méér gederfde inkomsten, komen die naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing aanmerking en zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien die inkomsten niet zijn onderbouwd met een arbeidsovereenkomst en/of loonstroken.
€ 10.748,68, bestaande uit € 748,68 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.
€ 1.149,50, bestaande uit materiële schade.
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
24 MAANDEN;
ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
€ 10.748,68 ten behoeve van [naam 1] ,