De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid. In een eerdere uitspraak van 18 oktober 2024 was de minister opgedragen binnen twee weken te beslissen, maar deze termijn is niet nageleefd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister heeft aangegeven dat de aanvraag is toegewezen aan een behandelaar en dat nader onderzoek wordt verricht, waarna de rechtbank een nieuwe beslistermijn van zestien weken stelt tot uiterlijk 25 september 2025.
De rechtbank legt een dwangsom van €250 per dag op voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten van eiser, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass en is op 31 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.