ECLI:NL:RBDHA:2025:15296
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring na intrekking verblijfsvergunning
Eiser is sinds 18 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 12 augustus 2025 en het beroep zonder zitting behandeld.
De rechtbank overweegt dat zij de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig heeft bevonden tot 28 juli 2025. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Hoewel het vooronderzoek later dan wettelijk voorgeschreven werd gesloten, acht de rechtbank dit niet onrechtmatig omdat de totale termijn tussen beroep en uitspraak binnen 21 dagen bleef, conform het EVRM.
Eiser stelde dat hij sinds 1 augustus 2025 rechtmatig verblijf had vanwege het bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. De rechtbank oordeelt dat het indienen van bezwaar tegen de intrekking geen schorsende werking heeft zolang eiser in bewaring is op grond van artikel 59 Vw Pro. Er is geen rechterlijke beslissing die uitzetting verhindert. Ook ambtshalve toetsing aan EU-recht leidt niet tot een ander oordeel.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier A. Duijf en is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.