AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vervallenverklaring eerdere uitspraak en gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen in nareiszaak
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis en familie en gezin. De rechtbank had eerder het beroep niet-ontvankelijk verklaard, maar verklaart die uitspraak nu vervallen omdat de ingebrekestelling tijdig was ingediend.
De rechtbank behandelt het beroep inhoudelijk en wijst het verzoek van de minister om aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De minister krijgt een beslistermijn van acht weken, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek, en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
De minister heeft een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- verbeurd wegens overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken en handhaaft sancties bij overschrijding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt nadere beslistermijnen en dwangsommen op en veroordeelt de minister in proceskosten en griffierecht.
vervallenverklaring en tevens uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Op 31 maart 2025 is door eiser in beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis en een mvv voor verblijf met als doel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (de aanvraag).
Bij uitspraak van 6 juni 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van 6 juni 2025 vervallen moet worden verklaard. Dat legt zij hierna uit.
De aanvraag is door de minister ontvangen op 15 april 2024. Dit blijkt uit de correspondentie van de minister, te weten de legesbrief van 30 april 2024 en de brief van 21 januari 2025. Dit betekent dat de laatste dag van de beslistermijn 14 oktober 2024 was.
In haar uitspraak van 6 juni 2025 is de rechtbank ervan uitgegaan dat de minister de ingebrekestelling van eiser op 14 oktober 2024 -en daarmee dus prematuur- had ontvangen. Dit was evenwel onjuist. Blijkens de ontvangstbevestiging van 24 oktober 2024 heeft de minister de ingebrekestelling namelijk op 22 oktober 2024 ontvangen. Dit was ná het verstrijken van de beslistermijn en daarmee was de ingebrekestelling tijdig ingediend. De rechtbank heeft het beroep van eiser mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart daarom de uitspraak van 6 juni 2025 ambtshalve vervallen.
4. De rechtbank gaat nu alsnog over tot de inhoudelijke behandeling van het beroep.
5. De rechtbank heeft aanvankelijk gevonden dat een zitting niet nodig was en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1 De rechtbank ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.
6. Bij de behandeling van aanvragen in zogenoemde nareiszaken hanteert de minister sinds 15 januari 2024 het principe van first-in first-out (het fifo-principe). In verband met deze werkwijze is het de rechtbank bekend dat de minister aan de rechtbank primair verzoekt om beroepen tegen het niet tijdig beslissen op aanvragen in nareiszaken aan te houden tot het moment dat de minister de betreffende aanvragen in behandeling neemt. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de aard van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen zich in beginsel tegen een aanhouding verzet. Een aanhouding van de behandeling van het beroep neemt namelijk voor de minister de prikkel weg om voortvarend tot een beslissing te komen.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.2 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.3
8. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.4 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaak toepassen.
9. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiser meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000,-.
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
11. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
12. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.6 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom vaststellen.
13. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.7
14. De minister heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog.8 De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds de minister in gebreke is.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 9. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Bij bericht van 8 juni 2025 heeft eiser de rechtbank geattendeerd op de kennelijke onjuistheid in de uitspraak van 6 juni 2025. Voor het indienen van een dergelijk bericht voorziet het Bpb niet in een vergoeding van gemaakt kosten.
17. Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
6 Stb. 2025, 96.
7 Artikel 4:17, eerste en tweede lid, en artikel 4:18 vanPro de Awb.
8 Artikel 8:55c van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de uitspraak van 6 juni 2025 vervallen;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
stelt de door de minister te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken dan wel aan eiser nader onderzoek aan te bieden en dit aan eiser mee te delen;
draagt de minister op om, in het geval nader onderzoek wordt aangeboden, binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.