ECLI:NL:RBDHA:2025:15298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2025
Publicatiedatum
18 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.10615
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 11 februari 2025. De voorzieningenrechter heeft besloten geen zitting te houden omdat het griffierecht van €194,- niet is betaald.

Volgens artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet griffierecht worden betaald om een verzoek om voorlopige voorziening te kunnen behandelen. Verzoekster is hier schriftelijk op gewezen via een aangetekende brief van 8 april 2025, die op 11 april 2025 is bezorgd. Ondanks deze waarschuwing is het griffierecht niet ontvangen en heeft verzoekster geen geldige reden gegeven voor het niet betalen.

Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal het verzoek niet inhoudelijk behandelen en wijst het verzoek af zonder proceskostenvergoeding toe te kennen. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 10 juli 2025.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.10615
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Karkache), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tegen het besluit van de minister van 11 februari 2025.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening doet, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 194,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de voorzieningenrechter is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De voorzieningenrechter heeft verzoekster op 8 april 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht binnen twee weken, dus uiterlijk op 22 april 2025, moet betalen aan de rechtbank. Deze brief is op 11 april 2025 bezorgd door PostNL.
5. De voorzieningenrechter heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen inhoudelijke uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54, eerste lid, van de Awb).
7. Verzoekster krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met de uitspraak?

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.