Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn, die in een eerdere uitspraak was gesteld, heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank acht het beroep ontvankelijk ondanks het ontbreken van een voorafgaande ingebrekestelling, vanwege de bijzondere omstandigheden en eerdere rechterlijke termijnstelling. De minister heeft aangegeven binnen zestien weken na herstel van het verzuim een beslissing te kunnen nemen, waarop de rechtbank een nieuwe beslistermijn tot uiterlijk 16 juli 2025 stelt.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 250,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, inclusief het griffierecht en een lager toegekend bedrag voor de juridische hulpverlening, vanwege de beperkte aard van het geschil.