De minister van Asiel en Migratie heeft aan eiser, van Algerijnse nationaliteit, een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat deze niet persoonlijk was uitgereikt en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische problematiek.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel op juiste wijze was uitgereikt, ondanks dat eiser tijdens het gehoor boos wegliep, en dat de gronden voor de bewaring voldoende waren gemotiveerd en feitelijk juist. De rechtbank concludeerde dat geen minder ingrijpende maatregel doeltreffend kon worden toegepast en dat de medische situatie van eiser onvoldoende aanleiding gaf om de bewaring te beëindigen.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, maar de rechtbank vond dat de minister rekening hield met noodzakelijke procedures en begeleiding, waardoor de uitzetting gepland staat op 18 augustus 2025. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.