ECLI:NL:RBDHA:2025:15361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
19 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.21578 en NL25.21579
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbDublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000EU Handvest art. 4EVRM art. 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende garanties overdracht aan Frankrijk

Eiser, een asielzoeker die vanwege zijn seksuele geaardheid en traumatische ervaringen bescherming zoekt, werd door Nederland overgedragen aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening. De minister nam zijn asielaanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht. Eiser voerde aan dat Frankrijk onvoldoende opvang en zorg biedt, vooral voor kwetsbare personen zoals hijzelf, en dat hij na overdracht aan Frankrijk geen toegang kreeg tot opvang en asielprocedure.

De rechtbank onderzocht of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog van toepassing is en concludeerde dat dit in principe het geval is, conform eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Echter, gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van eiser, zijn psychische klachten, eerdere ervaringen van seksueel geweld en het recente AIDA-rapport, is twijfel gerezen of hij zonder aanvullende garanties toereikende zorg zal ontvangen.

De rechtbank oordeelt dat de minister had moeten vragen om aanvullende garanties bij de Franse autoriteiten voordat hij eiser overdroeg, zoals vereist is op grond van het arrest Tarakhel. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van aanvullende garanties voor eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21578 (beroep) en NL25.21579 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

hierna: eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij zijn beroep in Nederland kan afwachten.
1.2
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep (deels) gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk op 2 april 2025 een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 18 april 2025 aanvaard.
Kan verweerder ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser had zijn land verlaten vanwege zijn geaardheid. In Frankrijk kon hij verblijven met een studievisum. Hij heeft vanwege seksueel misbruik in Frankrijk vervolgens in Nederland bescherming gezocht. Hij is in die procedure [2] aan Frankrijk overgedragen maar zijn asielaanvraag is daar niet in behandeling genomen. Eiser kreeg na aankomst op het vliegveld in Frankrijk geen toegang tot de opvang en andere basale voorzieningen. Hij verwijst naar het AIDA-rapport Frankrijk, update 2023 van mei 2024. In Frankrijk is een tekort aan opvangplekken en belanden veel asielzoekers op straat. [3] Eiser heeft dit zelf ondervonden. Eiser is vanwege zijn geaardheid, zijn zachtaardige karakter en (seksuele) psychische traumaklachten kwetsbaar en heeft bijzondere opvangvoorzieningen nodig. Uit het AIDA-rapport blijkt dat Frankrijk lhbti-personen vaak niet als kwetsbaar identificeert. [4] Ter zitting heeft eiser ook nog gewezen op het meest recente AIDA-rapport Frankrijk, update 2024, van juni 2025, pagina 125.
5.1
De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 april 2025 [5] volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling verwijst daarin naar haar eerdere uitspraak van 9 oktober 2023 [6] , waarin is geoordeeld dat er problemen zijn geweest met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM [7] . De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 augustus 2024 [8] in aanvulling daarop overwogen dat uit het recentere AIDA-rapport Frankrijk, update 2023, geen wezenlijk ander beeld naar voren komt over de opvangvoorzieningen van Dublinclaimanten in Frankrijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 juni 2024 [9] overwogen dat recente nieuwsberichten eveneens geen aanleiding vormen om te oordelen dat er in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof [10] van 19 maart 2019 [11] .
5.2
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. In het meest recente AIDA-rapport, waarover de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten, leest de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser heeft verklaard dat hij geen asielaanvraag in Frankrijk heeft kunnen indienen en in zoverre dus geen ervaringen heeft met de opvangvoorzieningen en de asielprocedure. Het ligt op de weg van eiser om als het niet lukt een asielverzoek in te dienen, hierover te klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dat heeft gedaan of heeft geprobeerd. Ten aanzien van zijn homoseksualiteit en de door eiser gestelde discriminatie, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen specifiek voor lhbti-ers niet zouden voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser een beroep doen op het arrest C.K. [12] en het arrest Tarakhel [13] ?
6. Eiser voert aan dat hij medische klachten heeft en dat deze na zijn eerdere overdracht naar Frankrijk zijn verergerd. Eiser is in Frankrijk slachtoffer geworden van ernstig seksueel geweld en heeft daar te maken gehad met discriminatie en racisme. Eiser heeft een overzicht van zijn GZA-dossier overgelegd, waaruit blijkt dat eiser traumaklachten en suïcidale gedachten heeft, waarvoor hij medicatie ontvangt. Eiser voert aan dat verweerder Bureau Medische Advisering (BMA) onderzoek moet laten doen of garanties moet vragen voor de overdracht aan Frankrijk.
6.1
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit zou volgen dat een overdracht aan Frankrijk ernstige en onomkeerbare gevolgen zou hebben voor de gezondheid van eiser als bedoeld in het arrest C.K. Verweerder heeft in het door eisers overgelegde GZA-overzicht dan ook geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek op te starten. Uit dit overzicht blijkt weliswaar dat eiser depressieve klachten, angstklachten en (niet acute) suïcidale gedachten heeft, hij hiervoor medicatie krijgt en, zo mogelijk, ondersteunende gesprekken heeft met POH-GGZ. Daarmee heeft hij niet onderbouwd dat bij overdracht sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering in zijn gezondheid. Het beroep op dit arrest slaagt niet.
6.2
De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Tarakhel volgt dat met een ‘bijzonder kwetsbare asielzoeker’ wordt gedoeld op minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. Uit het Tarakhel-arrest volgt verder dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat aanvullende garanties dient te vragen indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. De rechtbank constateert dat verweerder niet bestrijdt dat eiser in Frankrijk is verkracht. Voorts staat niet ter discussie dat eiser psychische klachten heeft. Verder is van belang dat eiser eerder gereguleerd is overgedragen aan Frankrijk en daar geen toegang kreeg tot de opvang en de asielprocedure. Verweerder heeft hiernaar geen onderzoek gedaan bij de Franse autoriteiten. Eiser heeft consequent en uitgebreid verklaard over wat hem na de overdracht aan Frankrijk is overkomen, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt. Daar komt bij dat uit het AIDA-rapport volgt, dat de Franse autoriteiten de kwetsbaarheid van lhtbi-ers niet altijd onderkennen. Het is gelet op deze omstandigheden (eisers geaardheid, eisers eerdere ervaring na de overdracht aan Frankrijk, zijn psychische situatie gerelateerd aan gebeurtenissen in Frankrijk en de opmerking in het AIDA-rapport inzake herkennen van kwetsbaarheid) twijfelachtig of eiser zonder die garanties toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Verweerder had vanwege de kwetsbaarheid van eiser bij de Franse autoriteiten om aanvullende garanties moeten vragen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is (deels) gegrond. Dat betekent dat eiser (deels) gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
8.1
Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen.
8.2
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroep- en verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 mei 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.AIDA-rapport Frankrijk, update 2023, pagina’s 120 en 74.
4.AIDA-rapport Frankrijk, update 2023, pagina 133-134.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Hof van Justitie van de Europese Unie.
11.ECLI:EU:C:2019:218.
12.Arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
13.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.