Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:15366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
19 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/668458 / HA ZA 24-538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:67 BWArt. 4:84 BWArt. 6:81 BWArt. 6:82 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en uitbetaling legitieme portie in nalatenschap met betwisting gift of lening

In deze erfrechtelijke zaak staat centraal de omvang van de legitieme portie van eiseres in de nalatenschap van haar vader. Er is discussie over een bedrag van €250.000 dat in 2023 aan gedaagde 1 is betaald; eiseres stelt dat dit bedrag onverschuldigd is betaald of een gift betreft, terwijl gedaagde 1 c.s. betwist dat het een gift is en stelt dat het een aflossing betreft van een lening uit 2019.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde 1 c.s. onvoldoende concreet bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een lening en de aflossing daarvan. De onderhandse akte waarin de leningsovereenkomst is vastgelegd, heeft geen dwingende bewijskracht jegens eiseres, die geen rechtverkrijgende onder algemene titel is. Verder zijn er inconsistenties en onduidelijkheden over de betalingen en de omstandigheden rondom de schuld.

De rechtbank laat de juridische kwalificatie van het bedrag in het midden, omdat in alle scenario's de legitimaire massa met €250.000 toeneemt. De legitieme portie van eiseres wordt berekend op €62.190,21, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 november 2023. Daarnaast wordt een bedrag van €4.240 toegewezen met rente. De overige vorderingen van eiseres worden afgewezen of zij wordt niet-ontvankelijk verklaard. Proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie.

Uitkomst: Eiseres wordt toegewezen €62.190,21 plus wettelijke rente en €4.240 met rente; overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/668458 / HA ZA 24-538
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
[eiseres], te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,
tegen

1.[gedaagde 1] pro se en in hoedanigheid van executeur van

de nalatenschap van
[erflater], te [woonplaats] ,
gedaagde,
2.
[gedaagde 2], te [woonplaats] ,
gedaagde,
procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
behandelend advocaat: advocaat mr. E.J.E. Boot te Amsterdam,
Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. Met [gedaagde 1] c.s. worden gedaagden hierna gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) aangeduid.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 9 april 2025 (hierna het tussenvonnis);
  • de akte van [gedaagde 1] c.s.;
  • de antwoordakte van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Inleiding

2.1.
In deze zaak staat centraal wat de omvang is van de legitieme portie van [eiseres] in de nalatenschap van de vader van partijen (hierna: erflater).
Gift van erflater aan [gedaagde 1] van € 250.000 of afgeloste schuld uit geldlening?
2.2.
Partijen houdt nog verdeeld hoe de door erflater in 2023 aan [gedaagde 1] betaalde bedragen met een beloop van € 250.000 moeten worden gekwalificeerd. [eiseres] stelt dat de bedragen onverschuldigd betaald zijn, althans dat er sprake is van onrechtvaardigde verrijking, dan wel dat er sprake is van een gift op de voet van 4:67 sub a BW dan 4:67 sub d BW, zodat de legitimaire massa met een bedrag van € 250.000 verhoogd moet worden [gedaagde 1] c.s. heeft deze stelling betwist en hiertoe, samengevat, aangevoerd dat de betalingen betrekking hebben op de aflossing van een door erflater in augustus 2019 van [gedaagde 1] geleend bedrag van € 250.000.
2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank de door [gedaagde 1] c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden als onvoldoende concreet aangemerkt en [gedaagde 1] c.s. in de gelegenheid gesteld zijn betwisting, al dan niet door het in het geding brengen van stukken, meer handen en voeten te geven. Vervolgens heeft een aktewisseling plaatsgevonden.
2.4.
[gedaagde 1] c.s. heeft geen stukken overgelegd. Hij heeft allereerst aangevoerd dat de geldlening vaststaat, omdat de geldleningsovereenkomst is vastgelegd in een onderhandse akte die - anders dan in het tussenvonnis is beslist - geen vrije maar dwingende bewijskracht tussen partijen heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze beslissing in het tussenvonnis terug te komen en merkt hierbij op dat [eiseres] als legitimaris geen rechtverkrijgende onder algemene titel is als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv Pro, zodat de inhoud van de onderhandse akte jegens haar niet als dwingend bewijs van de waarheid van de verklaren kan gelden. [1]
2.5.
[gedaagde 1] c.s. heeft in zijn akte, samengevat, verder nog het volgende naar voren gebracht:
- de geldleningsovereenkomst is niet al in 2019 is vastgelegd omdat het om een familieaangelegenheid ging, waarmee men uitging van onderling vertrouwen. Het was in familieverband gebruikelijk om onderlinge geldleningen niet vast te leggen: [eiseres] heeft ook ooit € 3.000 geleend van [gedaagde 1] voor een motorfiets, zonder dat hiervoor een schriftelijke overeenkomst is opgesteld. De geldleningsovereenkomst is pas opgesteld toen [eiseres] in 2020 ontspoorde en haar gedrag rondom de afwikkeling van de nalatenschap van moeder steeds problematischer werd;
- de lening van € 250.000 komt exact overeen met de betalingen die [gedaagde 1] in 2019 aan deden heeft gedaan;
- de considerans van de geldleningovereenkomst is summier geformuleerd omdat [gedaagde 1] deze overeenkomst heeft opgesteld, hij geen jurist is en op uitdrukkelijk verzoek van erflater geen verwijzing is opgenomen naar de schuldeisers van erflater;
- [gedaagde 1] heeft de betalingen aan derden gedaan omdat hij de enige was die binnen het gezin kapitaalkrachtig genoeg was. Erflater was hiertoe niet in staat en wilde niet dat zijn vrouw op de hoogte zou raken van zijn schulden;
- het was aan erflater om te vermelden waarop de betaling aan [gedaagde 1] betrekking had, omdat hij als enige toegang tot zijn bankrekeningen had;
- de schuld is waarschijnlijk niet in de aangifte IB 2020 opgenomen omdat erflater de schuld verborgen wilde houden voor zijn echtgenote en hij tot het belastingjaar 2020 zelf de aangifte verzorgde. Vanaf 2021 heeft erflater de hulp van [gedaagde 1] ingeroepen en vanaf dat belastingjaar is de schuld wel in de aangifte opgenomen;
- [gedaagde 1] heeft geen rechtstreekse overboeking van € 250.000 aan erflater gedaan maar zelf de schulden van erflater afgelost omdat erflater wilde voorkomen dat zijn echtgenote de overboeking zou zien en omdat [gedaagde 1] , die onvoldoende vertrouwen in erflater had, zelf de afwikkeling van de schulden van erflater ter hand wilde nemen;
- de door [gedaagde 1] gestelde belofte aan erflater tot geheimhouding van de betalingen aan de schuldeisers van erflater kan niet bij de bewijswaardering worden betrokken.
2.6.
Met zijn akte heeft [gedaagde 1] c.s. de van hem verlangde nadere concretisering niet gegeven. De akte komt grotendeels neer op een herhaling van hetgeen [gedaagde 1] c.s. al eerder naar voren heeft gebracht. Hierbij kan, in aanvulling op hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, nog worden opgemerkt dat de betalingen die [gedaagde 1] in juni 2019 heeft gedaan niet exact € 250.000 belopen, maar € 250.928. Voor dit verschil is geen verklaring gegeven. Dat erflater de schuld niet in de aangifte IB 2020 niet heeft vermeld omdat hij die schuld voor zijn echtgenote verborgen wilde houden is niet aannemelijk, omdat zijn echtgenote op 6 augustus 2020 is overleden en de aangifte pas na afloop van het belastingjaar 2020 kan zijn gedaan. Datzelfde geldt voor de formulering van de considerans van de akte: op het moment dat deze akte is opgesteld, was de echtgenote van de erflater overleden en [gedaagde 1] c.s. heeft onvoldoende toegelicht waar tegen die achtergrond gekozen is voor de specifieke formulering van de considerans. Voor zover [gedaagde 1] c.s. heeft aangevoerd dat erflater in 2019 niet kapitaalkrachtig genoeg was, valt dit niet zonder meer te rijmen met de e-mail van [gedaagde 1] aan [eiseres] van 3 februari 2021 (productie 10 van [eiseres] ) waarin [gedaagde 1] schrijft: “
Gezien de inhoud van jouw eerdere mails lijkt het erop dat jij denkt te betwisten dat papa en vermogen van 250k€ heeft. (…) Bovendien is het niet logisch te denken dat een medisch specialist na een succesvolle carrière van ruim 30 jaar geen vermogen zou hebben opgebouwd aan het eind van zijn carrière.” Wat de door [gedaagde 1] c.s. gestelde belofte geldt dat er geen sprake is van bewijswaardering maar van de beoordeling of [gedaagde 1] c.s. zijn verweer voldoende concreet heeft onderbouwd. Dat is niet het geval.
2.7.
Het voorgaande volgt dat onvoldoende onderbouwd is dat het door [gedaagde 1] ontvangen bedrag van € 250.000 een terugbetaling van een uitgeleende hoofdsom is. Voor de verdere beoordeling is niet relevant of het door [gedaagde 1] ontvangen bedrag van € 250.000 onverschuldigd betaald is, dan wel leidt tot ongerechtvaardigde verrijking, dan wel moet worden aangemerkt als een gift, omdat in alle gevallen de legitimaire massa met € 250.000 toeneemt. De rechtbank zal de juridische kwalificatie van de terugbetaling dan ook in het midden laten.
Recapitulatie
2.8.
De voorgaande beslissingen leiden tot de volgende berekening van de legitieme portie van [eiseres] :
Schulden Baten
Subtotaal: € 198.397,55 € 432.965,02
Saldo bankrekening [rekeningnummer] € 12.408,34
Premierestituties VvAA € 545,85
Door [gedaagde 1] ontvangen bedrag
€ 250.000,00
Totaal: € 198.397,55 € 695.919,21
De legitimaire massa bedraagt (€ 695.9198,21 -/- € 198.397,55 =) € 497.521,66. De legitieme portie van [eiseres] bedraagt 1/8e deel van de legitimaire massa, dat is (1/8e x
€ 497.521,66 =) € 62.190,21. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 4:84 BW Pro vanaf 10 november 2023, de dag waarop [eiseres] aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie.
2.9.
De aanspraak van [eiseres] op wettelijke rente dient te worden bepaald aan de hand van artikel 6:119 BW Pro in verbinding met artikel 6:81 e.v. BW. Vereist is dat de vordering opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim verkeert. Nu erflater op 6 november 2023 is overleden, is de vordering opeisbaar vanaf 6 mei 2024. In beginsel zal de schuldeiser de schuldenaar in gebreke moeten stellen (op grond van artikel 6:82 BW Pro). [eiseres] heeft niet gesteld dat (en met welke ingangsdatum) [gedaagde 1] c.s. in verzuim is. Daarom zal de wettelijke rente over de legitieme portie worden toegewezen met ingang van de datum van de dagvaarding, 7 juni 2024.
2.10.
Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] geen belang bij de haar vordering IV (r.o. 3.1 van het tussenvonnis), zodat zij ten aanzien van die vordering niet-ontvankelijk verklaard wordt.
2.11.
Over de toewijsbare vordering van € 4.240 (r.o. 4.33 van het tussenvonnis) wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen.
Proceskosten
2.12.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] binnen een week na betekening van dit vonnis een bedrag te voldoen van € 62.190,21, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 4:84 BW Pro vanaf 10 november 2023 tot 7 juni 2024 en vanaf die datum tot de dag van algehele voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] binnen een week na betekening van dit vonnis een bedrag te voldoen van € 4.240, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 7 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
3.3.
verklaart de veroordelingen onder 3.1 en 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen I, II en IV als bedoeld onder 3.1 van het tussenvonnis;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
3.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
6 augustus 2025. [2]

Voetnoten

1.Vgl. ECLI:NL:PHR:2023:1190, punt 5.25 e.v.
2.type: 1554