Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:15375

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
19 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/687228 / HA ZA 25-551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:170 BWArt. 3:171 BWArt. 3:184 BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident over verwijzing pachtovereenkomst naar pachtkamer in erfrechtelijke nalatenschapsverdeling

In deze civiele zaak staat de verdeling van nalatenschappen centraal, waaronder percelen grasland van ruim 7 hectare. Eiseressen vorderen in een incident de ontbinding van een reguliere pachtovereenkomst tussen de erflater en een van de gedaagden, dan wel verwijzing van dit deel van de zaak naar de bevoegde pachtkamer.

Eiseressen betogen dat de pachtovereenkomst onbepaalde tijd betreft en dat de pachter de percelen niet bedrijfsmatig maar alleen voor hobbydieren gebruikt, wat strijdig is met zijn verplichtingen. Gedaagde 9 voert aan dat verwijzing naar de pachtkamer nog niet aan de orde is en dat eiseressen niet bevoegd zijn tot ontbinding, omdat dit volgens de wet alleen aan alle deelgenoten gezamenlijk toekomt.

De rechtbank overweegt dat vorderingen tot ontbinding van pachtovereenkomsten tot het exclusieve domein van de pachtkamer behoren en dat de verdelingsrechter zich hier niet over mag uitspreken. Gezien een aanbod van gedaagde 9 om de percelen onverpacht over te nemen en het streven van eiseressen tot verkoop, acht de rechtbank verwijzing naar de pachtkamer voorlopig niet noodzakelijk en houdt zij de verdere behandeling aan.

De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor de conclusie van antwoord. Het vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en op 30 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank houdt de behandeling van het incident aan en verwijst de hoofdzaak door naar een rolzitting.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/687228 / HA ZA 25-551
Vonnis in incident van 30 juli 2025
in de zaak van

1.[eiseres 1] , te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

2.
[eiseres 2], te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
eiseressen in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. V.S.A.W. Wegter te Groningen,
tegen
1.
[gedaagde 1], te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
gedaagde,
verweerster in het incident,
advocaat mr. K. Rozema te Bodegraven,
2.
[gedaagde 2], te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
gedaagde,
verweerster in het incident,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3], te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,
gedaagde,
verweerder in het incident,
niet verschenen,
4.
[gedaagde 4], te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,
gedaagde,
verweerder in het incident,
niet verschenen,
5.
[gedaagde 5], te Leiden,
gedaagde,
verweerster in het incident,
niet verschenen,
6.
[gedaagde 6], te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,
gedaagde,
verweerster in het incident,
niet verschenen,
7.
[gedaagde 7], te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,
gedaagde,
verweerster in het incident,
niet verschenen,
8.
[gedaagde 8], te Alphen aan den Rijn,
gedaagde,
verweerder in het incident,
niet verschenen,
9.
[gedaagde 9], te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,
gedaagde,
verweerder in het incident,
advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle.
Eiseressen in de hoofdzaak en het incident worden hierna gezamenlijk [eiseressen] c.s. genoemd. Gedaagden onder 1 en 9 worden hierna respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 9] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de negen exploten van dagvaarding, met de producties 1 tot en met 37;
  • de akte van referte in het incident van [gedaagde 1] ;
  • de antwoordconclusie in het incident van [gedaagde 9] .

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De hoofdzaak heeft betrekking op een vordering tot vaststelling van de wijze van verdeling van een aantal bestanddelen van de nalatenschappen van de vader (hierna: erflater) en moeder van partijen, waartoe onder meer behoren percelen grasland met een omvang van 7.39.95 ha. (hierna: de percelen grasland).
2.2.
In het incident vorderen [eiseressen] c.s. om de tussen erflater en [gedaagde 9] gesloten reguliere pachtovereenkomst die betrekking heeft op de percelen grasland te ontbinden, althans de zaak in zoverre door te verwijzen naar de bevoegde pachtkamer.
2.3.
Hiertoe voeren [eiseressen] c.s. in het incident, samengevat, aan dat zij zich verzetten tegen toedeling van de percelen grasland aan [gedaagde 9] tegen de verpachte waarde. De pacht-overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst voor onbepaalde tijd, nu de grondkamer geen goedkeuring voor deze overeenkomst heeft verleend. [gedaagde 9] gebruikt de percelen grasland uitsluitend voor het houden van hobbydieren, dus niet bedrijfsmatig. Dat is strijdig met zijn verplichtingen als pachter en een rechtsgrond voor ontbinding van de pachtovereenkomst. Als de rechtbank zich niet bevoegd acht om de pachtovereenkomst te ontbinden, moet de zaak in zoverre worden verwezen naar de bevoegde pachtkamer.
2.4.
[gedaagde 1] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar wijst erop dat [gedaagde 9] heeft aangeboden de percelen grasland over te nemen tegen de waarde in onverpachte staat. Daarom is het volgens [gedaagde 1] niet meer relevant wat de rechtsgevolgen zijn van de pachtovereenkomst.
2.5.
[gedaagde 9] voert verweer in het incident. Zijn inziens is doorverwijzing van de zaak naar de pachtkamer nog niet aan de orde, omdat de rechtbank nog niet heeft beslist over de gevorderde ontbinding. Daarnaast zijn [eiseressen] c.s. niet bevoegd om ontbinding van de pachtovereenkomst te vorderen, omdat die bevoegdheid op grond van artikel 3:170 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) slechts aan alle deelgenoten gezamenlijk (wellicht met uitzondering van [gedaagde 9] ) toebehoort en artikel 3:171 BW Pro alleen betrekking heeft op vorderingen ten behoeve van de gemeenschap jegens derden.
2.6.
Ingevolge artikel 3:171, eerste volzin, BW is, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Juist is dat die regel in beginsel slechts ziet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. Die laatste vorderingen en verzoeken moeten immers op de voet van de art. 3:184 BW Pro en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap worden betrokken. Op die hoofdregel bestaat echter een belangrijke uitzondering, namelijk als het gaat om gevallen waarin een vordering of een verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich niet ervoor leent om in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken. In een dergelijk geval kan de vordering of het verzoek tegen de deelgenoot wel op de voet van art. 3:171 BW Pro worden ingesteld, respectievelijk ingediend. [1] Zo’n geval doet zich hier voor, omdat een vordering tot ontbinding van een pachtovereenkomst tot het exclusieve domein van de pachtkamer moet worden gerekend. De verdelingsrechter mag zich dus niet over een gevorderde ontbinding van een pachtovereenkomst uitspreken.
2.7.
Vervolgens is aan de orde of de vordering tot ontbinding van de pachtovereen-komst moet worden verwezen naar de pachtkamer. Hiervoor is vooralsnog geen aanleiding, nu [gedaagde 9] in 2024 heeft aangeboden de percelen grasland in onverpachte staat over te nemen (productie 30 van [eiseressen] c.s.) en [eiseressen] c.s. de percelen wensen te verkopen. Uitgangspunt bij een verdeling is dat eerst de deelgenoten in de gelegenheid zullen worden gesteld om goederen uit de gemeenschap over te nemen. Als partijen hierover overeenstemming kunnen bereiken, kan de gevorderde verwijzing in ieder geval achterwege blijven. Daarom zal de verdere behandeling van de incidentele vordering worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de hoofdzaak
3.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 september 2025 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025. [2]

Voetnoten

1.vgl. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:535.
2.type: 1554