ECLI:NL:RBDHA:2025:1543
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser is in augustus 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor studie. Per 1 september 2023 is hij afgemeld door de onderwijsinstelling wegens onvoldoende studievoortgang. De minister heeft daarop de verblijfsvergunning ingetrokken en dit besluit gehandhaafd na bezwaar van eiser.
Eiser stelde dat hij een serieuze relatie heeft met een Nederlandse partner en dat zij van plan zijn te trouwen, en dat hij een businessplan heeft voor een bedrijf in Nederland. De rechtbank stelt vast dat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning omdat hij niet meer studeert aan een erkende instelling.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de intrekking niet leidt tot een schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een gezinsleven. De enkele stelling van een relatie en voorgenomen huwelijk is niet voldoende. De minister heeft bovendien gewezen op de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen voor een ander verblijfsdoel.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.