ECLI:NL:RBDHA:2025:15451
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De vreemdeling, met de Nigeriaanse nationaliteit, is op 30 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de bewaring tot 9 juli 2025 reeds getoetst en achtte deze rechtmatig. Het geschil betreft daarom alleen de periode daarna. De vreemdeling stelde dat hij al langer dan zes maanden in bewaring zat en dat verweerder geen verzwaarde belangenafweging had gemaakt, maar dit werd verworpen omdat hij daarvoor in een opvanglocatie verbleef.
Verder stelde de vreemdeling dat hij rechtmatig verblijf had in Italië en dat er geen zicht was op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat hij dit niet had onderbouwd en dat verweerder voldoende voortvarend handelde, onder meer door het indienen van een laissez-passer aanvraag en regelmatig rappelleren bij de Nigeriaanse autoriteiten.
De vreemdeling weigerde medewerking aan zijn uitzetting, wat aan hem kan worden toegerekend. Ook het beroep dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, faalde omdat de medische problematiek niet was onderbouwd en eerdere toetsing dit reeds had bevestigd.
De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.