ECLI:NL:RBDHA:2025:1549

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL25.2769
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 67 Vw 2000Art. 66a, zevende lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens vertrekplicht en risico op toezichtontduiking

De minister heeft op 17 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat hij niet bekend was met zijn vertrekplicht en dat de maatregel op een onjuiste grondslag berustte. De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk op de hoogte was van zijn vertrekplicht, onder meer omdat de beschikking van ongewenstverklaring persoonlijk was uitgereikt en hij al twee keer was uitgezet naar Letland.

De minister had als gronden voor bewaring aangevoerd dat eiser zich aan toezicht had onttrokken, niet vrijwillig was vertrokken ondanks kennisgeving, en dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Hoewel een van de zware gronden was laten vallen, bleven de overige gronden voldoende om de maatregel te dragen.

Eiser stelde dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, omdat hij direct vrijwillig zou vertrekken en zijn familie in Duitsland op hem wacht. De rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede gezien eerdere terugkeer na uitzetting en het gevaar voor de openbare orde.

Ten slotte wees de rechtbank erop dat de wijze van uitzetting niet in deze procedure ter toetsing stond en dat het beroep ongegrond is verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Berust de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag?
1. Eiser betoogt dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Daartoe voert eiser aan dat hij niet bekend was met zijn vertrekplicht zoals opgenomen in de beschikking van 3 februari 2021, waarin eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Eiser wist daarom niet dat hij Nederland moest verlaten en terug moest keren naar Letland. Eiser is daarom ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring mogen stellen. Uit het uitreikingsblad blijkt dat de ongewenstverklaring op 3 februari 2021 in persoon aan eiser is uitgereikt. Eiser was hierdoor bekend met zijn vertrekplicht. Daarnaast is de beslissing op bezwaar van 30 maart 2021 aan zijn toenmalige advocaat toegezonden en is eiser bovendien al twee keer uitgezet geweest naar Letland. Dit bevestigt dat hij bekend was met zijn vertrekplicht.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
De minister heeft de zware grond 3i op de zitting laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
2.2.
Eiser heeft de overgebleven gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, als ook de motivering daarvan, niet bestreden. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Uit de gronden volgt dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Daartoe voert eiser aan dat hij direct vrijwillig zal vertrekken en binnen zes uur tijd Nederland kan verlaten. Daarnaast is volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met het feit dat zijn vriendin en ouders in Duitsland wonen en op hem wachten.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van inbewaringstelling voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser al eerder naar Nederland is teruggekomen nadat hij was uitgezet. De enkele stelling van eiser dat zijn vriendin en ouders in Duitsland op hem wachten, maakt niet dat de minister van het opleggen van de maatregel van bewaring had moeten afzien. Daarbij merkt de minister terecht op dat eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard en daarmee een gevaar vormt voor de openbare orde. Gelet op het voorgaande hoefde de minister geen lichter middel toe te passen.
Had de minister rekening moeten houden met de wijze waarop de uitzetting plaatsvindt?
4. Eiser voert aan dat de uitzetting naar Letland niet per vliegtuig kan plaatsvinden. Eiser heeft een traumatische ervaring gehad en heeft daardoor vliegangst. Eiser zou graag per bus of trein uitgezet worden.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de wijze van uitzetting in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Dit beroep ziet enkel op de maatregel van bewaring. Indien gewenst kan eiser bezwaar maken tegen de uitvoering van de uitzetting.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.