ECLI:NL:RBDHA:2025:1554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL25.2658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 Vw 2000Art. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onttrekkingsrisico

De minister van Asiel en Migratie legde op 16 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, tevens als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 28 januari 2025.

De minister baseerde de maatregel op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en het verstrekken van onjuiste gegevens. De zware grond dat eiser geen gevolg zou geven aan terugkeer werd door de minister op zitting laten vallen. De rechtbank oordeelde dat de overige niet betwiste gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan, onder meer omdat zijn winkeldiefstal uit 2022 niet relevant zou zijn en hij bereid was mee te werken aan terugkeer. De rechtbank verwierp deze stellingen en oordeelde dat het onttrekkingsrisico en de overige gronden een zwaardere maatregel rechtvaardigen.

Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, omdat pas op 22 januari 2025 aanvragen voor laissez-passer werden ingediend terwijl de inbewaringstelling op 16 januari plaatsvond. De rechtbank vond dit niet onredelijk, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen van eiser over zijn nationaliteit.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De minister heeft de zware grond 3i op zitting laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
1.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e en de lichte gronden 4a, 4c en 4d niet heeft betwist. De niet betwiste zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat zijn veroordeling voor een winkeldiefstal uit 2022 niet relevant is voor de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan. Daarnaast heeft de minister de verklaring van eiser dat hij bereid is om mee te werken aan zijn terugkeer, onvoldoende meegewogen bij de afweging of een lichter middel kan worden opgelegd. Dat eiser niet in het bezit is van een identiteitsdocument en dat hij niet beschikt over de financiële middelen om zijn terugreis te bekostigen, doet daar niet aan af aangezien dit voor het merendeel van de vreemdelingen geldt. Tot slot voert eiser aan dat hij zich heeft aangemeld voor vrijwillig vertrek bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Op zitting heeft de minister aangegeven dat de veroordeling voor de winkeldiefstal ten onrechte is opgenomen in de motivering omtrent het lichter middel in de maatregel. Dit maakt echter niet dat de motivering voor het overige onvolledig is. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard mee te willen werken aan zijn terugkeer, maakt niet dat er geen onttrekkingsrisico (meer) is zodat de minister er belang bij had om eiser in bewaring te stellen. Dat geldt eveneens voor eisers aanmelding bij de IOM. Ook het betoog dat het merendeel van de vreemdelingen geen identiteitsdocumenten heeft en niet beschikt over voldoende financiële middelen om de terugkeer te kunnen bekostigen mag niet baten, aangezien daar – op grond van de in het Vb 2000 genoemde zware en lichte gronden – juist een onttrekkingsrisico uit volgt.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hoewel eiser al tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 7 januari 2025 heeft aangegeven dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit, heeft de minister pas op 22 januari 2025 een aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp) ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. De minister heeft ook pas op 22 januari 2025 een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de minister (al) op dezelfde dag als de inbewaringstelling (op 16 januari 2025) een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Dat de minister op 22 januari 2025 een lp-aanvraag bij de Algerijnse en de Marokkaanse autoriteiten heeft ingediend, maakt volgens de rechtbank niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Daar komt bij dat de rechtbank de minister in zijn standpunt volgt dat eiser verwarring heeft doen ontstaan over zijn gestelde nationaliteit door daarover tegenstrijdige verklaringen af te leggen. Hoewel eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard de Marokkaanse nationaliteit te bezitten, heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 16 januari 2025 verklaard Algerijns te zijn. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom begrijpelijk dat de minister nog enkele dagen heeft gewacht met het indienen van de lp-aanvragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.