ECLI:NL:RBDHA:2025:1555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 4 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.
Eiser stelde dat Duitsland de aanvraag niet in behandeling zou nemen en dat overdracht naar Duitsland zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege materiële deprivatie. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, waarbij Nederland mag aannemen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt, tenzij eiser met concrete aanwijzingen komt voor structurele tekortkomingen. Eiser slaagde hier niet in.
Voorts voerde eiser aan dat Nederland op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro de aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege medische noodzaak. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Nederland het meest geschikte land is voor behandeling en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die overdracht onevenredig hard maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van de minister en wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.