In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag op 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over het beroep van een vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De eiser betoogde dat de maatregel onterecht was omdat hij bereid was snel terug te keren naar Albanië, in het bezit was van een licht beschadigd identiteitsdocument en dat zijn zus bereid was de vlucht te betalen. Hij stelde dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast en dat de uitzetting niet voortvarend werd uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was vanwege het onttrekkingsrisico en dat reizen met een beschadigd identiteitsdocument niet is toegestaan. De bereidheid van de zus om de vlucht te betalen was onvoldoende onderbouwd en deed niet af aan het onttrekkingsrisico. Tevens concludeerde de rechtbank dat de minister voortvarend had gehandeld door tijdig vertrekgesprekken te voeren en een T&O-aanvraag in te dienen.
De rechtbank voerde daarnaast een ambtshalve toetsing uit aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van de EU en vond geen onrechtmatigheid in de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.