Eiser, een Iraakse staatsburger geboren in 1992, diende op 7 maart 2023 een asielaanvraag in met het argument dat hij vanwege zijn afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom vervolging vreest in Irak, met name in Erbil. Hij stelde dat hij bedreigd werd door familieleden en dat een inval bij een huiskerk waar hij deelnam, hem in gevaar bracht.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 24 april 2025 af, oordelend dat hoewel de identiteit en bekering van eiser geloofwaardig zijn, er onvoldoende bewijs is voor een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De bedreigingen waren niet objectief onderbouwd en de inval was niet persoonlijk gericht. Ook werd gewezen op de relatief veilige situatie in de Koerdische Autonome Regio en het ontbreken van strafrechtelijke vervolging van bekeerlingen.
Eiser voerde aan dat de bedreigingen ernstig en eer-gerelateerd zijn en dat openlijke geloofsuitoefening in Irak niet mogelijk is zonder risico. Hij overhandigde diverse verklaringen en recente online bedreigingen. De rechtbank achtte deze niet concreet of onderbouwd genoeg en gaf meer gewicht aan ambtsberichten en landeninformatie.
Ten aanzien van medische klachten ontbrak objectieve onderbouwing, waardoor geen bijzondere bescherming werd toegekend. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en bevestigde dat het afwijzingsbesluit tevens een terugkeerbesluit inhoudt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.