Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan hem heeft opgelegd op 4 juli 2025. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend zou werken aan zijn uitzetting, mede omdat hij tijdens een vertrekgesprek verklaarde afkomstig te zijn uit Algerije, terwijl de minister zich richt op uitzetting naar Marokko.
De rechtbank stelt vast dat de minister terecht uitgaat van Marokkaanse nationaliteit, gelet op eerdere asielbesluiten en verklaringen van eiser zelf. De minister heeft volgens de rechtbank voldoende voortvarendheid betracht, onder meer door het aanvragen van een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken. De stelling van eiser dat hij Algerijns is, is niet onderbouwd en bovendien inconsistent.
Ambtshalve toetsing door de rechtbank levert geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de maatregel van bewaring blijft in stand. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.