De minister van Asiel en Migratie legde op 24 maart 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser. De rechtbank had deze maatregel reeds op 28 april 2025 getoetst en toen rechtmatig bevonden. De minister stelde de rechtbank op 12 augustus 2025 in kennis van het voortduren van de bewaring, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser tegen deze voortzetting.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat een verzwaarde belangenafweging ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de minister maandelijks vertrekgesprekken voerde en rappelleringen bij de Marokkaanse autoriteiten, wat voldoende voortvarend is. Daarnaast maakte de minister op 14 augustus 2025 een verzwaarde belangenafweging conform het beleid na zes maanden bewaring.
De rechtbank vond geen aanleiding om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.