ECLI:NL:RBDHA:2025:15788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.37819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000 wegens risico op onderduiken

De minister van Asiel en Migratie legde op 12 augustus 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.

Eiser betwistte de feitelijke juistheid van enkele zware gronden, stelde dat hij meewerkte aan overdracht naar Zwitserland en dat bewaring een onjuist en uiterst middel was. De rechtbank overwoog dat de lichte grond van geen vaste woon- of verblijfplaats niet langer werd tegengeworpen, maar dat de zware gronden terecht aan de maatregel ten grondslag lagen.

Ondanks de medewerking aan overdracht gaf eiser ook signalen dat hij in Nederland wilde blijven en weigerde hij overplaatsing naar een andere opvanglocatie. De rechtbank vond dat verweerder terecht tot bewaring was overgegaan en dat het risico op onderduiken aannemelijk was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37819

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 18 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 20 augustus 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft op 22 augustus 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1977.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. De gronden 3k en 3m zijn feitelijk niet juist. Eiser werkt mee aan de overdracht en heeft dat al aangegeven op 23 april 2025 en 21 juli 2025, zodat er geen sprake is van een weigerachtige maar van een welwillende opstelling. Omdat eiser op 23 april 2025 en 21 juli 2025 te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan overdracht naar Zwitserland en verweerder vervolgens heeft gewacht tot de uiterste overdrachtsdatum naderde, is het feitelijk onjuist dat er geen andere mogelijkheid was dan bewaring ter fine van overdracht. Verweerder stelt dus ten onrechte geen andere keus te hebben dan inbewaringstelling. Dit is een onjuist gebruik van een uiterst middel. Uit de enkele constatering dat eiser niet op de juiste wijze Nederland is binnengekomen, kan niet worden afgeleid dat er een risico op onderduiken bestaat. Ten aanzien van de lichte gronden voert eiser aan dat hij altijd op de COA locatie is verbleven en dat zijn verblijfplaats altijd bekend was bij de autoriteiten. Uit het enkele feit dat eiser onvoldoende middelen van bestaan heeft, kan niet worden afgeleid dat hij zich zal onttrekken aan toezicht.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Ten aanzien van de bewaringsgronden merkt de rechtbank op dat verweerder heeft aangegeven de lichte grond onder 4c niet langer aan eiser tegen te werpen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a, 3k en 3m terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Ten aanzien van zware grond 3a heeft eiser niet betwist dat deze feitelijk juist is. Verder heeft eiser weliswaar in het vertrekgesprek van 23 april 2025 en 21 juli 2025 aangegeven dat hij wil meewerken, maar hij heeft ook te kennen gegeven het liefst in Nederland te blijven en grote problemen te verwachten als Zwitserland hem terugstuurt naar Turkije. Daarnaast heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 21 juli 2025 overplaatsing naar een andere opvanglocatie in het kader van de overdracht geweigerd. Eiser heeft dus verschillende signalen afgegeven en heeft herhaald in Nederland te willen blijven. Eiser heeft geen concrete stappen ondernomen om zijn overdracht te effectueren, waarbij van belang is dat het initiatief in beginsel bij eiser ligt. Anders dan eiser stelt, kan verweerder daarom niet worden verweten over te zijn gegaan tot inbewaringstelling op het moment dat de uiterste overdrachtsdatum steeds dichterbij kwam. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht de zware gronden 3k en 3m aan de maatregel ten grondslag gelegd.
8. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden in beginsel al voldoende om ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken aan te nemen. Nu in wat eiser naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen om daar in dit geval anders over te oordelen, behoeven de overige bestreden gronden geen bespreking.
9. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.