ECLI:NL:RBDHA:2025:15792
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak niet tijdig beslissen inzake bezwaar inzage persoonsgegevens afgewezen
Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2025, waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gegrond werd verklaard en de minister van Justitie en Veiligheid werd opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen.
De rechtbank heeft het verzet op 19 augustus 2025 behandeld en overwogen dat het verzet zich niet richt tegen het niet tijdig beslissen zelf, maar op de wens tot inzage in alle persoonsgegevens die voldoen aan een eerder verzoek uit 2022. De rechtbank oordeelt dat het beroep op artikel 6:12 Awb Pro zich uitsluitend richt op het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van april 2024.
De rechtbank stelt dat het niet aan haar is om te beslissen over verzoeken die buiten het kader van het bezwaar vallen en wijst erop dat voor spoedeisende inzage een voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Ook over de vermeende dwangsommen wordt geoordeeld dat dit via de burgerlijke rechter moet worden afgedwongen.
Daarom verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak dat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is.