De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 18 augustus 2025 een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar grootouders moederszijde voor de duur van zes maanden. De minderjarige verbleef feitelijk al bij de grootouders nadat de vader met haar de echtelijke woning had verlaten vanwege de problematische thuissituatie.
De moeder kampt met een obsessieve-compulsieve stoornis met dwang- en smetvreesklachten, waardoor zij niet in staat is adequaat voor de minderjarige te zorgen. De vader was overbelast door de zorg voor de moeder en kon niet voldoende beschikbaar zijn voor het kind. De minderjarige vertoonde een vertraagde motorische ontwikkeling en autistiforme kenmerken, maar maakte vooruitgang sinds het verblijf bij de grootouders.
De moeder voerde verweer en stelde dat onvoldoende hulpverlening was ingezet om uithuisplaatsing te voorkomen en dat het verblijf bij de grootouders onveilig zou zijn. De rechtbank hechtte echter meer waarde aan de verklaringen van de vader en de gecertificeerde instelling, die de vooruitgang en stabiliteit bij de grootouders bevestigden.
De rechtbank oordeelde dat verblijf bij de vader niet haalbaar is vanwege zijn werk en persoonlijke situatie, en verblijf bij de moeder vanwege haar problematiek niet verantwoord is. Een plaatsing bij een neutraal pleeggezin achtte de rechtbank niet in het belang van het kind vanwege haar gehechtheid aan de grootouders. Daarom werd het verzoek tot uithuisplaatsing bij de grootouders toegewezen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden via hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.