ECLI:NL:RBDHA:2025:15882

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
25/4883
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen ambtshalve uitschrijving uit Basisregistratie Personen niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om hem ambtshalve uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen (Brp).

De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht van €194,- niet tijdig is betaald, ondanks een aangetekende brief en e-mail aan de gemachtigde. Verzoeker heeft geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim. Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende concreet en met bewijs onderbouwd waarom er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro is het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D. Biever op 25 augustus 2025 in aanwezigheid van griffier E. van den Nieuwendijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van griffierecht en ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4883

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie personen (Brp). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft verweerder verzoeker uitgeschreven uit de Brp. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 25 juli 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 29 juli 2025 om 13:39 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. De nota is tevens op 24 juli 2025 per e-mail verstuurd naar de gemachtigde van verzoeker. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
3. Voorts treft de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker wijst erop dat hij door de ambtshalve uitschrijving in de problemen komt met zijn uitkering, dat hij onverzekerd raakt, zijn paspoort niet kan verlengen, niet meer de digitale belastingaangiftes bij de Belastingdienst kan indienen, en dat hij in de toekomst verstoken zal zijn van sociale voorzieningen waarop hij recht heeft. De griffier heeft verzoeker op 24 juli 2025 verzocht om concreet te onderbouwen (met stukken) welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Hij heeft niet gereageerd op dit verzoek, en dus ook niet onderbouwd waarom hij een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het verzoek en wat maakt dat hij de bodemprocedure niet kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.