ECLI:NL:RBDHA:2025:15892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.38280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1a VwArt. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico onderduiken

De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is ingesteld omdat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

De rechtbank stelt vast dat de zware gronden waarop de maatregel is gebaseerd, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De vreemdeling heeft deze gronden niet betwist, behalve dat hij aanvoert dat als asielzoeker het ontbreken van reisdocumenten gebruikelijk is.

De rechtbank oordeelt dat dit de feitelijke juistheid van de gronden niet aantast. Ook het verweer dat een lichter middel passend zou zijn vanwege medische klachten en bereidheid tot vertrek wordt verworpen, omdat de vreemdeling niet kan aantonen dat zijn klachten zodanig zijn en omdat hij niet beschikt over de benodigde documenten om zelfstandig terug te keren.

De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38280

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting te Breda behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. Eiser voert ten aanzien van de zware grond 3a aan dat hij asiel heeft aangevraagd in Nederland en dat asielzoekers vaak niet over reisdocumenten beschikken.
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Eiser beschikt niet over een geldig reisdocument (met visum) en daarmee staat vast dat eiser niet op de voorgeschreven wijze binnen is gekomen. Dat eiser asielzoeker is en dat asielzoekers vaak niet beschikken over reisdocumenten doet aan de feitelijke juistheid van die grond niet af. Eiser heeft de overige gronden niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. De gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen en een risico op onderduiken aan te nemen.
5. Eiser meent dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische klachten. Bovendien heeft hij verklaard dat hij bereid is Nederland te verlaten.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het risico op onderduiken te ondervangen. Verweerder heeft in dat verband terecht betrokken dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard niet terug te willen naar Algerije. Eiser beschikt bovendien niet over de benodigde documenten om zelfstandig terug te keren naar Algerije. Verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft zijn medische klachten niet onderbouwd. Bovendien is de zorg in detentie vergelijkbaar met de zorg in de vrije maatschappij.
7. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.