ECLI:NL:RBDHA:2025:15899
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken afgeleid verblijfsrecht en gezinsleven
Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij een vriend en zijn drie minderjarige Nederlandse kinderen te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres geen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro kon aantonen en geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij een beschermingswaardig gezinsleven had, gelijkgesteld aan dat van een stiefouder, en dat zij ten onrechte niet was gehoord. Ook stelde zij dat de belangenafweging onzorgvuldig was, onder meer omdat haar inburgeringscursus en inkomsten niet waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen relatie had met de referent en geen bewijs had geleverd van een verzorgende rol voor de kinderen. Er was geen gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De belangenafweging van de minister was zorgvuldig, waarbij het belang van de Nederlandse overheid zwaarder woog dan het privéleven van eiseres. De rechtbank verwierp het beroep en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiseres kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.