De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de man om samen met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over de minderjarige en om een zorg- danwel omgangsregeling vast te stellen. Ondanks vervangende toestemming om de minderjarige te erkennen, heeft de man dit niet gedaan en heeft hij ook geen uitslag van een DNA-test overgelegd, die noodzakelijk is om duidelijkheid te krijgen over het vaderschap.
Het traject omgangsbegeleiding is niet van de grond gekomen door de traumabehandeling van de man, waardoor er weinig tot geen ruimte was voor contact met de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag vanwege het ontbreken van samenwerking tussen de ouders en het ontbreken van communicatie.
Op de zitting zijn afspraken gemaakt over het afnemen van een DNA-test, maar de rechtbank ontving geen uitslag en ook geen communicatie van de man of zijn advocaat over de voortgang. De rechtbank concludeert dat de man niet in staat lijkt de test te laten uitvoeren en niet beschikbaar is als vader.
Gezien deze omstandigheden en het belang van de minderjarige wijst de rechtbank het verzoek van de man af. De beschikking wijzigt daarmee de eerdere beschikking van februari 2023 en bevestigt dat de omgangsregeling en gezagsverzoeken niet worden toegewezen.