ECLI:NL:RBDHA:2025:15912
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van niet vastgestelde identiteit
Eiser, met de Oezbeekse nationaliteit, werd op 25 juli 2025 opgehouden door verweerder op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij geen geldig identificerend document kon overleggen. De ophouding vond plaats aansluitend op een strafrechtelijke heenzending en duurde enkele uren.
Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat verweerder geen juiste rechtsgrond had gekozen en dat zijn identiteit reeds bekend was, waardoor artikel 50, tweede lid, niet van toepassing zou zijn. Verweerder stelde dat eiser geen geldig identificerend document had overlegd en dat een Oezbeeks rijbewijs niet voldeed als zodanig. Verweerder verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de juiste grondslag had gekozen, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld ondanks eerdere gegevens. De rechtbank stelde vast dat overname na strafrechtelijke heenzending geen rechtsgrondslag behoeft. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard omdat de juiste rechtsgrondslag is toegepast.