Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:15912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.37249
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 4.21 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen ophouding op grond van niet vastgestelde identiteit

Eiser, met de Oezbeekse nationaliteit, werd op 25 juli 2025 opgehouden door verweerder op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij geen geldig identificerend document kon overleggen. De ophouding vond plaats aansluitend op een strafrechtelijke heenzending en duurde enkele uren.

Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat verweerder geen juiste rechtsgrond had gekozen en dat zijn identiteit reeds bekend was, waardoor artikel 50, tweede lid, niet van toepassing zou zijn. Verweerder stelde dat eiser geen geldig identificerend document had overlegd en dat een Oezbeeks rijbewijs niet voldeed als zodanig. Verweerder verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de juiste grondslag had gekozen, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld ondanks eerdere gegevens. De rechtbank stelde vast dat overname na strafrechtelijke heenzending geen rechtsgrondslag behoeft. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard omdat de juiste rechtsgrondslag is toegepast.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37249

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 25 juli 2025 om 18:55 uur opgehouden. Op 25 juli 2025 omstreeks 22:38 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd, waarna hij is heengezonden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 13 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 20 augustus 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
2. Eiser voert aan dat verweerder in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek geen keuze heeft gemaakt voor de rechtsgrond op grond van waarvan eiser is opgehouden aansluitend op eisers strafrechtelijke heenzending. Dit maakt de ophouding onrechtmatig en de belangenafweging dient in het voordeel van eiser uit te vallen. De ophouding heeft daarnaast plaatsgevonden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. [1] Dit is een onjuiste grondslag, omdat de identiteit al bekend was bij verweerder.
3. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek volgt dat eiser op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Dit is de juiste grondslag omdat eiser geen identificerende documenten als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb [2] heeft overgelegd. Een Oezbeeks rijbewijs is geen document als bedoeld in artikel 50, eerste lid, laatste volzin van de Vw. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn stelling op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 3 mei 2024. [3] Het feit dat aan eiser eerder een terugkeerbesluit is opgelegd doet er niet aan af dat eiser toen ook geen geldig identificerend document heeft overgelegd, omdat eiser in die procedure slechts een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd. Dat verweerder in die procedure is uitgegaan van bepaalde gegevens betreffende de identiteit van eiser, betekent niet dat de identiteit ook is vastgesteld. Verweerder verwijst ter onderbouwing naar twee uitspraken van de Afdeling. [4]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit het proces-verbaal ophouding en overname volgt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Deze grondslag is aan de orde indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld. In geschil is of daarvan sprake is in het geval van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser op de juiste grondslag heeft opgehouden. Vaststaat dat eiser geen geldig identificerend document of ander document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb heeft overgelegd. Verweerder overweegt terecht dat een (Oezbeeks) rijbewijs geen document is als bedoeld in voormelde zin. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat verweerder tijdens de ophouding onderzoek heeft gedaan in de systemen en registers. Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat de identiteit van eiser, toen hij werd opgehouden, niet volledig vaststond. Dat verweerder in een eerdere procedure is uitgegaan van bepaalde gegevens maakt niet dat eisers identiteit ook daadwerkelijk is vastgesteld. [5]
6. Voor zover eiser heeft bedoeld dat verweerder geen rechtsgrondslag voor de overname van eiser na strafrechtelijke heenzending heeft gekozen, oordeelt de rechtbank dat overname geen handeling betreft die een rechtsgrondslag behoeft.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.ECLI:NL:RBDHA:2024:6732. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 28 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2621.
4.Van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1490 en 31 oktober 2021, 2023064991/1.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1490.