ECLI:NL:RBDHA:2025:15913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.38287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid VbArt. 66a zevende lid WetArt. 67 Wet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak ongegrond verklaard

Eiser, een Liberiaanse vreemdeling, is op 14 augustus 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het ontbreken van medewerking aan terugkeer. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de zware gronden voor bewaring, met uitzondering van een door verweerder ingetrokken grond, voldoende waren gemotiveerd. Eiser had geen gevolg gegeven aan een terugkeerbesluit en had verklaard niet te willen terugkeren. Verweerder had bovendien aannemelijk gemaakt dat een lichter middel niet effectief zou zijn om het risico op onttrekking te voorkomen.

Hoewel eiser stelde dat hij medicatie nodig had en de asielprocedure in vrijheid wilde afwachten, oordeelde de rechtbank dat dit geen reden was om de bewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38287

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Liberiaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware grond 3h. Verweerder heeft deze zware grond ter zitting echter laten vallen. De beroepsgrond behoeft daarom verder geen bespreking.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat verweerder bij de zware gronden 3c en 3i kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit van 10 juni 2021. Verder heeft eiser meermaals verklaard niet te willen terugkeren naar Liberia. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Dit betekent ook dat verweerder op grond hiervan terecht een risico heeft aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. Eiser meent dat verweerder zou moeten volstaan met een lichter middel, nu hij een asielaanvraag heeft ingediend. Hij zou deze procedure in vrijheid moeten kunnen afwachten. De maatregel van bewaring is een te zwaar middel en het opleggen van een dagelijkse meldplicht kan volstaan. Verder heeft eiser ter zitting gesteld dat hij medicatie nodig heeft voor zijn kiespijn, maar dat hij dit niet krijgt in het detentiecentrum.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Wegens het onttrekkingsgevaar kan hij zijn asielaanvraag niet in vrijheid afwachten. Dat eiser medicatie wenst maakt dat niet anders. Hij dient zich daarvoor te wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen helpen.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding
afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.