Op 12 augustus 2025 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, tevens als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 20 augustus 2025.
Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank vond de gronden voldoende en onbetwist. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn medische situatie. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat verweerder tijdig een overnameverzoek bij Polen had ingediend en eiser detentiegeschikt was bevonden door medische specialisten.
Eiser stelde ook dat de beschikking tot intrekking van zijn rechtmatig verblijf niet op juiste wijze was uitgereikt, waardoor de bezwaartermijn niet zou zijn aangevangen. De rechtbank oordeelde dat de beschikking met behulp van een tolk in de Poolse taal was meegedeeld en dat eiser reeds op 4 juni 2025 op de hoogte was van zijn illegale verblijf. Daarom was de bezwaartermijn verstreken bij het opleggen van de maatregel.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.