ECLI:NL:RBDHA:2025:15921

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
27 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.37546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet wegens risico op onttrekking toezicht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die op 11 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden waaronder illegale inreis, onttrekking aan toezicht en onvoldoende medewerking bij vaststelling identiteit.

Eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat hij asielzoeker is, niet vrijwillig het AZC heeft verlaten, geen land van terugkeer kende en minderjarig was bij vertrek uit Mali. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a, 3b en 3d zich feitelijk voordoen en voldoende onderbouwd zijn. Het beroep faalde ook in het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede gelet op het risico op onttrekking aan toezicht en de medische situatie van eiser.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37546

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

[v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.A.J. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De bewaringsmaatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (sub a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (sub b). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe in de kern aan dat hij asielzoeker is zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij illegaal Nederland is ingereisd (3a). Daarnaast heeft eiser het asielzoekerscentrum (AZC) niet uit eigen beweging verlaten (3b), staat in het terugkeerbesluit van 12 juli 2021 geen land van terugkeer genoemd zodat eiser niet wist waar hij naar terug moest keren (3c), en kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij geen documenten heeft omdat hij als minderjarige uit Mali is gevlucht (3d). Verder is de motivering van het onttrekkingsrisico bij de lichte gronden 4c en 4d volgens eiser onvoldoende.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3b en 3d kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser heeft immers verklaard zonder paspoort, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland te zijn ingereisd. Dat, zoals eiser stelt, hij asielzoeker is en hem niet kan worden tegengeworpen dat hij illegaal Nederland is ingereisd, doet aan de feitelijke juistheid van deze illegale inreis niet af. Ook zware grond 3b doet zich feitelijk voor. Zo heeft eiser op 12 juli 2021 een beschikking ontvangen waarin is opgenomen dat eiser na het verstrijken van de beroepstermijn niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Het beroep tegen deze beschikking is op 28 maart 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens geen melding gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf. De stelling dat eiser niet vrijwillig het AZC heeft verlaten doet niet af aan de verplichting van eiser om melding te doen van zijn illegale verblijf. Tot slot doet zware grond 3d zich ook feitelijk voor. Eiser heeft namelijk geen actie ondernomen om aan documenten te komen. De stelling dat eiser minderjarig was toen hij zijn land van herkomst verliet, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat nu ook niet van eiser kan worden verwacht dat hij actie onderneemt om aan documenten te komen. Eiser is nu immers volwassen en is al meerdere jaren in Nederland. Verweerder heeft de zware gronden 3a, 3b en 3d dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
5. De zware gronden 3a, 3b en 3d kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De bestreden zware grond 3c en de lichte gronden 4c en 4d hoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser verbleef tijdens zijn eerdere asielaanvraag in een AZC en heeft zich toen beschikbaar gehouden. Niet valt in te zien waarom eiser nu niet in een AZC kan verblijven met een meldplicht. Dat eiser het AZC of de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) heeft verlaten kan eiser niet worden tegengeworpen omdat dit niet vrijwillig is geweest. Daarnaast heeft de bewaring een aanzienlijke invloed op de psychische gesteldheid van eiser, hetgeen blijkt uit het proces-verbaal en het door eiser overgelegde medische dossier. Eiser kampt met mentale klachten, hepatitis B en pijn aan zijn botten.
7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er zoals onder 5 is overwogen, een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In dat kader heeft verweerder kunnen verwijzen naar de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zijn verblijf in de LVV niet heeft gebruikt om te werken aan zijn vertrek. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat een arts eiser detentiegeschikt heeft geacht en dat de zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Het is de rechtbank, ook gelet op het overgelegde medische dossier, niet gebleken dat deze zorg voor eiser niet toereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
9. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.