De passagiers hadden een vlucht geboekt van Lanzarote naar Amsterdam die op 3 juli 2022 met meer dan drie uur vertraging aankwam. Zij vorderden een vergoeding van TUI Airlines Nederland op grond van EU-verordening 261/2004 wegens deze vertraging.
TUI voerde aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een tekort aan beveiligingspersoneel op Schiphol, waardoor het vliegtuig niet tijdig kon vertrekken. De rechtbank oordeelde echter dat het verband tussen deze personele tekorten op 2 juli en de vertraging op 3 juli onvoldoende was, mede omdat er een dag en twee vluchten tussen zaten die niet tot dezelfde rotatie behoorden.
Daarnaast kon TUI niet aantonen welke vertraging het personeelstekort op 3 juli zelf veroorzaakte, waardoor het beroep op buitengewone omstandigheden faalde. De rechtbank veroordeelde TUI tot betaling van de gevorderde vergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten, en wees de wettelijke rente toe vanaf de datum van de vertraging.