De minister van Asiel en Migratie legde op 17 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser. De rechtbank had deze maatregel al eerder op 2 juni 2025 getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het sluiten van het onderzoek op 27 mei 2025. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde het voortduren van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in het verkrijgen van een laissez-passer bij de Egyptische autoriteiten, ondanks herhaalde rappelletjes. De rechtbank oordeelde dat de minister maandelijks rappelleert en maandelijks een vertrekgesprek voert met eiser, wat voldoende voortvarendheid toont.
De rechtbank zag geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter D. Bruinse-Pot en griffier S.M. Hampsink, en is onherroepelijk.