ECLI:NL:RBDHA:2025:15990
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure asiel
De zaak betreft een beroep van eiseres tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van de grensprocedure voor asielaanvragen. Eiseres betoogt dat de maatregel onrechtmatig is omdat de behandeling van haar asielverzoek niet geschikt is voor de grensprocedure, er sprake is van hoge temperaturen en gebrekkige zorg in het detentiecentrum, zij zwanger is en er sprake is van stress en een zelfmoordpoging.
De rechtbank overweegt dat de beoordeling of een asielverzoek geschikt is voor de grensprocedure terughoudend wordt getoetst en dat verweerder binnen de gestelde termijn van vier weken de aanvraag behandelt. De vertraging in het nader gehoor en het overleggen van originele documenten leiden niet tot de conclusie dat de grensprocedure niet passend is. Ook is geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat eiseres detentieongeschikt is of dat de zorg onvoldoende is.
Verder is vastgesteld dat verweerder heeft voldaan aan zijn informatieplicht door het uitreiken van een informatiefolder in het Arabisch. De rechtbank concludeert dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.