ECLI:NL:RBDHA:2025:16001
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens ontbreken procesbelang
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag de beroepen van eisers tegen het besluit van 23 april 2025, waarbij de minister van Asiel en Migratie de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken. Tevens worden de verzoeken om voorlopige voorziening behandeld. De rechtbank houdt geen zitting omdat dit niet noodzakelijk wordt geacht.
De kern van het geschil betreft de vraag of eisers nog procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroepen, nu zij met onbekende bestemming zijn vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken in beginsel geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn asielprocedure. Dit geldt ook voor de verlenging van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening, omdat deze nauw samenhangt met de asielaanvraag.
De rechtbank stelt vast dat eisers sinds 23 april 2025 met onbekende bestemming zijn vertrokken en dat hun gemachtigde sinds maanden geen contact meer met hen heeft. Hierdoor concludeert de rechtbank dat eisers geen prijs meer stellen op de bescherming die zij aanvankelijk zochten en dus geen procesbelang meer hebben. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.