ECLI:NL:RBDHA:2025:16023
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning aanvraag wegens niet tijdige betaling leges
Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 21 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige. De minister stuurde op 2 december 2024 een legesbrief en op 18 december 2024 een herinnering met een termijn van twee weken om de leges te voldoen. Omdat eiser de leges niet binnen deze termijn betaalde, nam de minister de aanvraag op 15 januari 2025 niet in behandeling.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en betoogde dat de leges inmiddels wel voldaan waren, waardoor de aanvraag alsnog in behandeling genomen zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van de leges zonder verschoonbare reden de minister bevoegd maakt de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het feit dat eiser na het besluit alsnog zou hebben betaald, verandert hier niets aan.
De rechtbank vond geen bewijs dat de leges daadwerkelijk betaald waren en concludeerde dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag niet onredelijk of onbillijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.