ECLI:NL:RBDHA:2025:16023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.22456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 8:57 AwbArt. 24 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning aanvraag wegens niet tijdige betaling leges

Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 21 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige. De minister stuurde op 2 december 2024 een legesbrief en op 18 december 2024 een herinnering met een termijn van twee weken om de leges te voldoen. Omdat eiser de leges niet binnen deze termijn betaalde, nam de minister de aanvraag op 15 januari 2025 niet in behandeling.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en betoogde dat de leges inmiddels wel voldaan waren, waardoor de aanvraag alsnog in behandeling genomen zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van de leges zonder verschoonbare reden de minister bevoegd maakt de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het feit dat eiser na het besluit alsnog zou hebben betaald, verandert hier niets aan.

De rechtbank vond geen bewijs dat de leges daadwerkelijk betaald waren en concludeerde dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag niet onredelijk of onbillijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige, omdat eiser de leges niet binnen de termijn heeft betaald.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 21 november 2024 een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige ingediend. De minister heeft op 2 december 2024 een legesbrief verzonden naar eiser. Op 18 december 2024 heeft de minister eiser een herinnering (herstel verzuim) gestuurd in verband met de nog niet betaalde leges. Daarbij heeft de minister eiser een termijn van twee weken gegeven om de leges te voldoen en vermeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen als eiser niet tijdig betaalt. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 15 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat eiser de leges (niet tijdig) heeft betaald. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister zijn besluit gebleven.
Niet (tijdig) betaalde leges4. Eiser betoogt dat de aanvraag ten onrechte niet in behandeling is genomen, omdat de legeskosten niet betaald zouden zijn. Volgens eiser zijn deze kosten inmiddels voldaan, waardoor de minister de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen.
4.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de leges niet tijdig heeft betaald. Indien een vreemdeling zijn leges niet tijdig betaalt en hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven, mag de minister de aanvraag niet in behandeling nemen. [2] Dat eiser betoogt dat hij de leges na het besluit van 15 januari 2025 wel heeft betaald, maakt dan ook niet dat de leges alsnog tijdig zijn betaald. De minister stelt overigens dat in het geheel geen leges zijn betaald en eiser heeft dit naar aanleiding daarvan ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet op grond van het procesdossier en de gronden van eiser geen aanleiding voor de conclusie dat de leges wel zijn betaald. Het niet in behandeling nemen van de aanvraag vanwege het niet (binnen de termijn) betalen van de leges, leidt dan ook niet tot onredelijkheid of onbillijkheid.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Deze werkwijze vloeit voort uit artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 24 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en de paragrafen B1/3.4.1.2 en B1/3.4.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).