ECLI:NL:RBDHA:2025:16041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.5616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken connexiteitsvereiste in verblijfsstickerzaak

Verzoeker heeft op 5 februari 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het niet afgeven van een verblijfssticker in zijn paspoort. Dit verzoek werd gedaan hangende bezwaar en beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister verklaarde het bezwaar op 12 maart 2025 ongegrond. Verzoeker stelde beroep in, maar trok dit op 28 maart 2025 in.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat ten tijde van de beslissing op het verzoek geen beroepsprocedure meer liep. Hierdoor ontbrak de vereiste formele connexiteit, die inhoudt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

Daarom werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.M. Emaus en is definitief, zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een lopende beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker van 5 februari 2025. Verzoeker heeft dit verzoek ingediend hangende zijn bezwaar tegen de weigering van het aanbrengen van een verblijfsaantekening (hierna verblijfssticker) in zijn paspoort.
1.1.
De minister heeft het bezwaar van verzoeker op 12 maart 2025 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
1.2.
Omdat de minister op het bezwaar heeft beslist voordat op het verzoek is beslist, en verzoeker tegen het besluit op bezwaar beroep heeft ingesteld bij de rechtbank, wordt het verzoek gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. [1]
1.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten
2. Verzoeker heeft op 5 februari 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die de rechtsgevolgen van de feitelijke handeling, zijnde het niet afgeven van een verblijfssticker, opschort.
2.1.
Uit het dossier van de beroepsprocedure met zaaknummer NL25.12649 volgt dat verzoeker op 11 februari 2025 bezwaar heeft ingediend tegen het niet afgeven van een verblijfssticker. De minister heeft het bezwaar van 11 februari 2025 tegen het niet afgeven van een verblijfssticker op 12 maart 2025 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen de beslissing van 12 maart 2025 op 17 maart 2025 beroep ingesteld. Verzoeker heeft dit beroep op 28 maart 2025 ingetrokken.
Connexiteit
3. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van formele connexiteit. [3] Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen wordt gedaan hangende een bezwaar- of beroepsprocedure.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker – ten tijde van de afdoening van dit verzoek – geen beroepsprocedure meer heeft lopen tegen het besluit van 12 maart 2025, waardoor het verzoek niet voldoet aan het connexiteitsvereiste.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.De voorzieningenrechter heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
3.Dit vloeit voort uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.