ECLI:NL:RBDHA:2025:16042
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning zelfstandige
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld dat was ingediend door verzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 28 oktober 2024. Dit besluit betrof de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige.
Verzoeker had op 19 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft verzoeker op 23 mei 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank onder zaaknummer NL25.23467. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting.
De voorzieningenrechter constateerde dat aan het vereiste van formele connexiteit was voldaan omdat het verzoek was gedaan hangende de bezwaar- en beroepsprocedure. Echter, omdat de rechtbank op dezelfde dag als de uitspraak van de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan in het beroep, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep reeds is behandeld.