Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/687380 / JE RK 25-1124
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 12 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengd tot 28 februari 2026. De minderjarige woont bij haar ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. Na een incident in september 2024 is de vader niet langer welkom in het AZC waar het gezin verblijft, en heeft de minderjarige sinds die tijd geen fysiek contact meer met hem.

De gecertificeerde instelling verzoekt de verlenging omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en professionele hulpverlening noodzakelijk is om haar te ondersteunen bij het verwerken van nare ervaringen en de overgang naar regulier onderwijs. De moeder staat ambivalent tegenover hulpverlening, waardoor een gedwongen kader noodzakelijk blijft.

De moeder heeft geen bezwaar tegen de verlenging, al meent zij dat de situatie verbetert. De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken en verlengt daarom de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 28 februari 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/687380 / JE RK 25-1124
Datum uitspraak: 12 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in onbekend .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij haar vader en moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 augustus 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 augustus 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd. [minderjarige] woont samen met de moeder en haar (half) zus in een woning van het AZC. Voorheen verbleef de vader daar ook. Na een incident in september 2024 heeft hij geen toegang meer tot het AZC. In het AZC wordt inmiddels gezien dat het gezin rust heeft gekregen. De moeder heeft nog wel telefonisch contact met de vader maar [minderjarige] heeft aangegeven momenteel geen contact te willen. Sinds de vader is vertrokken heeft [minderjarige] geen fysiek contact meer gehad met hem. De moeder heeft aangegeven het wel van belang te vinden dat [minderjarige] contact met de vader heeft. De gecertificeerde instelling acht het noodzakelijk dat de komende periode gewerkt kan worden aan het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] . Deze hulpverlening dient gericht te zijn op de verwerking van nare ervaringen die zij heeft gehad en waar zij nog altijd last van heeft. De moeder heeft hierin de afgelopen periode laten zien een ambivalente houding te hebben richting de in te zetten hulpverlening. Dit maakt dat een gedwongen kader voor nu nog noodzakelijk is zodat de hulpverlening opgestart kan worden. De gecertificeerde instelling heeft daarbij de verwachting dat – als de hulpverlening eenmaal opgestart is – de moeder hiervan zal profiteren en dit uiteindelijk in het vrijwillige kader voortgezet kan worden.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder ziet echter dat het de afgelopen periode steeds beter gaat met [minderjarige] en vindt de ondertoezichtstelling om die reden niet (meer) noodzakelijk. De moeder is altijd beschikbaar voor [minderjarige] en ondersteunt haar waar dit nodig is. [minderjarige] geeft ook regelmatig bij de moeder aan niet te willen praten of niet naar afspraken te willen gaan. De moeder controleert niet of [minderjarige] contact heeft met de vader. [minderjarige] dient hierin haar eigen keuzes te maken en haar eigen grenzen aan te geven en de moeder ondersteunt dit.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft in haar leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Sinds het vertrek van de vader heeft [minderjarige] geen fysiek contact meer met hem gehad. Zij dient hierin begeleid te worden door professionele hulpverlening, zodat zowel op de korte als de lange termijn de goede keuzes gemaakt worden door en voor haar. [minderjarige] zal binnenkort gaan starten met regulier onderwijs wat ook een grote overgang voor haar zal zijn aangezien zij de Nederlandse taal pas sinds kort is gaan oppakken. Het is van belang dat zij ook ondersteuning krijgt in dit proces.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven professionele hulpverlening voor [minderjarige] van belang te vinden. De afgelopen periode is dit echter nog onvoldoende van de grond gekomen mede omdat de moeder hierin een ambivalente houding aanneemt. De moeder heeft ter zitting kenbaar gemaakt hulpverlening niet noodzakelijk te vinden maar dit wel te willen accepteren als de kinderrechter dit noodzakelijk acht.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] nog geen ondersteuning heeft ontvangen en dus ook nog niet heeft kunnen profiteren van begeleiding en hulpverlening. De kinderrechter acht het van belang dat de regie de komende periode door de gecertificeerde instelling wordt gevoerd. De hoop en de verwachting is dat de hulpverlening, wanneer deze eenmaal is opgestart, vervolgens vanuit het vrijwillige kader voortgezet kan gaan worden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 28 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van D. Debets als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.